Home>>In de media>>‘Onderwijsvrijheid gaat te ver’ (de Pers)

‘Onderwijsvrijheid gaat te ver’ (de Pers)

21 jun 2011
Onderwijsvrijheid gaat te ver

Kamerlid Boris van der Ham komt niet binnen op de slippen van de D66-lijsttrekker, maar wint zelf stemmen als kampioen van de vrijzinnigheid. Hij kan morgen een partij oprichten met Jeanine Hennis (VVD) en Tofik Dibi (GroenLinks). En hij wil een eind aan het voortrekken van gelovigen. ‘Ik bedrijf politiek in een arial lettertype.’

Door: Kustaw Bessems

Er zit een persvoorlichter bij dit gesprek. Kun je aan de lezers uitleggen waarom?

‘Ehm... hoe zal ik het zeggen? Het is eigenlijk zo logisch, we doen dat eigenlijk altijd zo. Ja, ik weet het eigenlijk niet. Heb jij daar zelf een reactie op, Hanneke?’

Hanneke, persvoorlichter: ‘Nee, ja, behalve dat ik er altijd bij zit.’ Van der Ham weer: ‘Ik denk dat politici zich ook vrij moeten voelen om alles te kunnen zeggen, maar het is ook prettig als er iemand anders bij is. Gewoon om, ja, waarom heb jij een apparaatje voor je liggen waarmee je dat allemaal gaat tapen en zo? Dat hoort misschien een beetje bij de collectieve voorwaardelijkheid die je naar elkaar moet hebben.’

Negen jaar zit Van der Ham nu in de Kamer.

‘23 mei 2002. De Fortuyngeneratie. Ik kan me herinneren dat bij de beëdiging een vlaggetje van Pim Fortuyn in de Kamer stond. Ik heb hem nog gezien de dag dat hij werd vermoord, in Breda, waar hij een lezing gaf in een zaaltje naast dat van D66-leider Thom de Graaf. Het was de tijd dat het debat op scherp werd gezet, over integratie en religie.’

Over religie?

‘Natuurlijk ook specifiek over de islam. Maar het mooie aan Fortuyn was wel dat hij in de behandeling van godsdiensten geen onderscheid maakte, een belangrijk verschil met Geert Wilders.’ Van der Ham herinnert zich: ‘Er was iemand vermoord. De auto’s stonden letterlijk in de fik toen bij de Tweede Kamer. Dat kon dus: de vlam kan bij ons in de pan slaan. Je zag hoe fragiel alles was. Ik voel daardoor een grote verantwoordelijkheid om goed met Nederland om te gaan. Nederland is met zichzelf in debat, met grote woorden. Dat is ook goed, dat alles eruitkomt. Maar vervolgens heb je een rol om de temperatuur van het badwater mee te bepalen.’

De PVV verhit het water, jij moet het afkoelen?

‘Misstanden onder mensen die de islam aanhangen... D66 komt met voorstellen om vrouwen te emanciperen, mensen voor te lichten over homoseksualiteit, gedwongen huwelijken tegen te gaan. Allemaal extremiteiten waarvan je als liberaal zegt: dat kan niet. Dat is veel scherper en effectiever dan alleen maar schelden.’ ‘Het belangrijkste aan het liberalisme is individuele verantwoordelijkheid. Zodra je ziet dat iemand uit een religieuze overtuiging of wat voor overtuiging dan ook vreselijke dingen doet, dan straffen we die hard en pakken we die moreel ook aan. Maar generaliseren staat haaks op liberalisme.’

Als individuele vrijheden je lief zijn, vind je vandaag de dag in Nederland de islam dan vaker op je pad dan het christendom?

‘Je ziet wel dat het bij de islam rauwer is, in een primitiever stadium. In de jaren zestig en zeventig is er ontzettend veel debat geweest onder protestanten en katholieken. Dat is nu in alle hevigheid binnen de islam aan de gang. Ik ken vrienden, ik hoor het in het land – vooral op scholen: enorm veel stromingen van heel orthodox en heel vrijzinnig. Dat debat wordt keihard gevoerd. Eigenlijk heel Nederlands: heel uitgesproken, provocerend, met beledigende opmerkingen. Maar op tv zie je alleen die heel orthodoxe imam of de grote islamhater.’

D66 lijkt comfortabeler in de discussie over christenen dan over moslims.

‘Ik ben niet gelovig opgevoed, maar ik heb de Bijbel gelezen. Ik heb een christelijke familie. Ik heb ook wel grote delen van de Koran gelezen maar ik ken de cultuur van het christendom veel beter. Het is veel makkelijker om specifieke kritiek te hebben op iets dat je heel goed kent en te wijzen op alternatieven.’ Fortuyn is voor Van der Ham ‘ook een positieve referentie. Als je ziet hoe hij met íedereen het debat aanging. Ayaan Hirsi Ali, ook niet van mijn partij, deed dat later ook. Dat vind ik van een grotere kwaliteit dan de PVV. Fortuyn was duizendmaal prikkelender.’ ‘Ik vond het mooi om te zien dat Fortuyn, ik geloof in een gesprek met Felix Rottenberg, terugkwam op een standpunt, zich liet overtuigen door argumenten. Dat vind ik het allerbelangrijkste dat we hier in Den Haag moeten doen. Maar dat mag in het televisietijdperk bijna niet, dat je zegt: goh, daar heeft u eigenlijk wel een punt.’

Waarom kan overtuigd raken niet voor de camera?

‘Omdat soms op korte termijn niet is te zien dat eerlijkheid uiteindelijk overwint. Terwijl mensen het wel zouden begrijpen, want die doen zelf niet anders, in de huiskamer. En ze zien het op tv direct als ergens iets onwaarachtigs in zit.’

Van der Ham is acteur geweest. ‘Een goed acteur doet niet alsof’, zegt hij. Via YouTube verspreidt hij filmpjes met vrijzinnige lezingen. Aan de hand van de actualiteit vertelt hij iets over – meestal – het werk van een liberale denker. ‘Religies houden hun tradities goed bij. Liberalen veel minder. Terwijl het een rijke traditie is met schrijvers en denkers. Van So-phocles tot voor mijn part Hirsi Ali, die niks met elkaar te maken hebben op één ding na: zoeken naar wat vrijheid is.’ Als een liberaal wordt gevraagd wat liberalisme is, zegt hij vaak: dat is níet betuttelend. Of: dat is níet religieus. Allemaal wat het niet is. ‘Ik vind dat wij de opdracht hebben om te laten zien wat het wél is: een samenleving waarin je vrij kunt zijn, religieus of niet, streng of niet.’

Maar je komt uit een periode waarin D66 heel reactief was: tegen Wilders.

‘Alexander Pechtold kwam ook met eigen vrijzinnige punten. Maar je bent zelf journalist: een conflict is altijd het lekkerst om uit te leggen. Dat zie je erg in de media.’ Dan kun je ook denken: we gaan wat minder op hem reageren. ‘Doen we ook. Er zijn nu zo veel andere dingen aan de hand. De economische crisis, een kabinet dat daar heel weinig aan doet.’

Van der Ham heeft vóór het interview gezegd dat hij het graag over artikel 23 van de Grondwet wil hebben, waarin wordt geregeld dat de staat religieus onderwijs subsidieert. ‘De vrijheid van onderwijs gaat te ver. Allerlei misstanden worden erdoor afgedekt.’ Hij wil het artikel drastisch aanpassen: ‘Je kunt vanuit liberaal oogpunt zeggen: het is heel goed dat ouders hun eigen scholen kunnen stichten. Maar ik vind het niet acceptabel dat het religieuze onderwijs een soort status aparte heeft en een beroep op de grondwet doet om mensen of bepaalde kennis te kunnen weigeren.’ Maar om die grondwetswijziging – een schier onmogelijke procedure – is het hem nu niet te doen. ‘Pick your battles. Je kunt allerlei oneigenlijkheden er al met gewone wetten uit slopen.’ Hij somt op: ‘Religieuze scholen hoeven geen openbaarheid te geven van jaarverslagen. Ze hoeven formeel niet hun declaraties openbaar te maken. Als er iets crimineels gebeurt, hoeven ze dat niet te melden aan de politie. De meeste scholen doen dat wel, hoor, maar het staat ze vrij. Scholen mogen docenten weigeren omdat ze niet getrouwd zijn of lesbisch. Leerlingen kunnen worden geweigerd als ze niet de juiste religie aanhangen. Mensen die de ene dag, zoals bij het islamitisch college in Amsterdan, er een puinhoop van hebben gemaakt, mogen de volgende dag weer een nieuwe school oprichten. Of je religieus bent of niet, dat soort dingen zijn belachelijk. Ik wil graag het initiatief nemen om dit te wijzigen in de wet.’ ‘Toen deze wet tot stand kwam ging die ook alleen over basisonderwijs. Inmiddels is die grondwetsinterpretatie opgerekt tot het middelbaar en zelfs hoger onderwijs. Dat moet teruggedraaid. Van basisonderwijs kun je zeggen: de ouder moet zeggenschap hebben over de opvoeding van een kind. Maar met twaalf zijn jongeren tegenwoordig heel zelfstandig.’ ‘Er is ook te weinig ruimte voor vernieuwing. Nog maar veertig of vijftig procent van de mensen noemt zichzelf religieus. Maar zeventig procent gaat naar een religieuze school. Een rare onevenwichtigheid. Veel van die scholen zouden liever een soort openbaar bijzondere school willen zijn, omdat ze niets meer met het geloof doen. Er zijn ook ouders die een school willen oprichten met een bepaald onderwijsprofiel of een liberale school. Dat vind ik mooi. Maar dat wordt allemaal tegengewerkt. De overheid bepaalt dat religies en een paar lesmethodes als richting mogen en verder niks. Partijen als het CDA willen vasthouden aan die situatie zoals die sinds de jaren tien van de vorige eeuw is gegroeid.’

Het is niet het enige onderwerp dat Van der Ham aanpakt en dat gevoelig ligt bij sommige gelovigen. Hij is ook mede-indiener van een initiatief om het verbod op godslastering af te schaffen. De kansen op afschaffing zijn ineens weer wat kleiner nu voorstanders VVD en de PVV voor steun in de Eerste Kamer afhankelijke zijn van de orthodox-christelijke SGP.

Hoe erg is dat? Het is een slapend wetsartikel.

‘Het heeft in de rechtszaal niet veel effect meer, maar mensen proberen wel nog steeds om er een beroep op te doen. En CDA-ministers hebben het artikel weer wakker willen kussen. Het gaat me ook om het principe: alle opvattingen, religieus of niet, zijn voor de wet gelijkwaardig.’

Het zijn de ‘vrijzinnige’ thema’s waarop hij zich graag profileert. En waarmee hij altijd, ook al staat hij op een verkiesbare plaats, een voorkeurscampagne voert. ‘Ons partijensysteem lokt helaas uit om eerder met the powers that be een kopje koffie te drinken dan met de kiezer. Ik wil als volksvertegenwoordiger ook echt een groep vertegenwoordigen, een eigen mandaat hebben. Dat mensen zeggen: ik heb een probleem en ik heb op jou gestemd, kun je me helpen? Het is belangrijk dat er bij de honderdvijftig Tweede Kamerleden voor iedereen iemand bij zit om zich mee te identificeren.’

Wat meewarig verwijst hij naar VVD-collega Jeanine Hennis, die zich onlangs in deze krant uitsprak tegen religieuze symbolen in publieke functies en de vrijheid van godsdienst overbodig noemde. Hennis werd tot de orde geroepen door haar partij en moest zwijgen. ‘Laat dat toch’, zegt Van der Ham tegen de VVD, ‘ga niet krampachtig met flanken in je partij om. Die helpen alleen maar om kiezers zich vertegenwoordigd te laten voelen.’

Kloppen die partijen nog wel? Als jij morgen aan een tafeltje gaat zitten met Hennis en met Tofik Dibi van GroenLinks om een liberale partij op te richten...

‘Dan komen we er snel uit. Ja. Ja, dat denk ik wel. De verschillen tussen partijen zijn soms kleiner dan binnen partijen. Inhoudelijk heb ik zeker veel met die twee. Dat je samen optrekt op onderwerpen vind ik gezond. Maar je moet je niet vermoeien met de vraag of dat een nieuwe groepering moet worden. Zolang ik politiek actief ben wordt gezegd: we moeten fuseren. En het leidt steeds tot niks. Dus ik heb iets van: ik vind het allemaal heel interessant, maar’ – hij wijst op zijn pols, op een denkbeeldig horloge – ‘ik ga in de tussentijd even nog wat wetten doorvoeren.’

Ben jij eigenlijk wel eens kwaad? Je lijkt de hele tijd zo opgeruimd.

‘Oh dat heb je dan niet gezien, want ik kan wel een paar voorbeelden noemen. Wat ik héél erg vind is als moedwillig feiten worden weggelaten. Ik kan me dat van een aantal drugs-?debatten herinneren. Door een ideologische keus wordt niet meer naar feiten gekeken. Dan maak je me heel boos. Je maakt moedwillig iets kapot, blaast iets op. Het is schadelijk. Halsstarrigheid no matter the facts en wat de conseqenties ook zijn.’ ‘Ik vind wel: je ziet sommige mensen altijd boos. Dan komen we op de waarachtigheid. Heeft dat dan nog effect? Is dat dan niet gespeeld? Ik vind het fijn dat mensen na afloop tegen me zeggen dat ze snapten wat ik zei. Je hebt Kamerleden die politiek bedrijven in gotische letters. Ik houd meer van arial. Maar ik denk dat je aan mij wel kunt zien dat ik kwaad ben.’

Kijkt naar persvoorlichter Hanneke: ‘Het is mij wel aan te zien, toch?’ Ze beaamt dat.