Home>>In de media>>"Nederland is ongelooflijk in debat met zichzelf" (Hp de Tijd)

"Nederland is ongelooflijk in debat met zichzelf" (Hp de Tijd)

08 jun 2011
Nederland is ongelooflijk in debat met zichzelf hp de tijd

In de week van 8 juni stond er ene groot interview met mij in HP de Tijd. Paul Haenen interviewde me over zowel politieke als persoonlijke kwesties. Over kaal worden, de onrust in Nederland, relaties en het gevecht voor de vrijheid.

---

Hoe lang zit je in de Tweede Kamer?

‘Sinds 23 mei 2002 zit ik in de Tweede Kamer, dus nu precies negen jaar.’

-Is dat nog niet te lang? ‘Nee, ik dacht altijd wel van: Hoe zou je er na acht jaar uitzien als je er dan nog in zit? Maar ik vind het nog steeds heel erg boeiend. Ook omdat er zo onsterfelijk veel veranderd is in de Tweede Kamer. Toen 

ik voor de eerste keer in de Tweede Kamer kwam, dat was in 1997, was ik bij de Jonge Democraten, een jongerenorganisatie van D66. Toen kon je nog met een linnen stickertje binnenwandelen en nu moet je langs allerlei terrorismepoortjes en eindeloze sluizen. Het is fysiek anders geworden maar de politiek is natuurlijk ook heel erg veranderd de afgelopen negen, tien, jaar. En het rare is, omdat de omloopsnelheid van Kamerleden zo hoog is, dat ik met mijn negen jaar zitten, tot de vijftien/zestien langstzittende Kamerleden behoor. Dus zo snel gaat dat. Er moet een goed evenwicht zijn tussen vernieuwing en mensen die wat langer zitten. Het Kamerlidschap blijft boeien omdat je wetsvoorstellen moet behandelen, de regering controleren maar daarnaast kan je ook met eigen initiatieven en wetsvoorstellen komen. Zolang je die drive nog hebt, moet je er vooral blijven zitten. En ik vind het ook wel een eer, dat klinkt een beetje klef, om volksvertegenwoordiger te zijn. Bij de laatste verkiezingen ben ik ook met voorkeursstemmen gekozen, dat geeft ook een extra kick om er mee door te gaan. Omdat je mensen daadwerkelijk vertegenwoordigt.’

Ken je alle namen van de Kamerleden?.

‘Nee, ben je gek. Toen ik in 2002 in de Kamer kwam werden er 70 nieuwe mensen geïnstalleerd, en in 2003, 2006 en 2010 steeds opnieuw zoiets, . Er zijn echt Kamerleden die je ziet lopen en dan denk je: Is dat nou een medewerker of een journalist? Dan blijkt het ineens een Kamerlid van de SP of van de PVV te zijn. Of van het CDA. Dus nee, ik ken ze niet allemaal bij naam. Ik hoop ze nog dit jaar allemaal van gezicht te kennen.’

-Is het een nadeel voor de democratie, die grote wisselingen?

‘Toen ik de Kamer inging, was er een discussie of Kamerleden niet veel te lang bleven zitten waardoor alles een beetje stroperig werd. Maar dat is voorbij, nu is er een ander probleem, dat het soms te snel wisselt. Dat heeft voor een deel te maken met de verkiezingen. Kiezers maken partijen heel groot en dan ineens zijn ze helemaal weg. De LPF, dat was een heel grote partij, hebben 26 zetels gehaald en twee verkiezingen later waren ze weg. Helemaal weg. Dat doet de kiezer en dat heeft te maken met de stand van het land. Nederland is ongelofelijk in debat met zichzelf en wisselt veel van mening en van strategie. En in het Parlement krijg je daar een weerspiegeling van. Is dat goed voor Nederland? Ik vind het niet goed dat het van de hak op de tak springt maar aan de andere kant, kan je je pas over twintig jaar weten of we aan deze periode van veel debat, heftige taal, ruzie, vloeken, niet alleen in het Parlement maar ook daarbuiten, of we daar wat aan gehad hebben. Deze periodes heb je wel eerder gehad en misschien hebben Nederlanders dat wel nodig, dat iedereen elkaar ontzettend de maat neemt en zich ontzettend uitspreekt. Misschien is die clash nodig om weer een beetje verder te komen. Ik weiger daar cynisch over te zijn. Ik ben volksvertegenwoordiger, ik zit in de Tweede Kamer, ik kan er ook wat aan doen en probeer er een goede draai aan te geven.’

-Je hebt natuurlijk ook momenten dat je naar de Kamer moet terwijl er bij jou persoonlijk iets speelt.

‘Oh ja, zeker. Mijn moeder en mijn vader zijn allebei overleden. Mijn moeder drie jaar geleden, mijn vader vier jaar. En ook, nou ja, goed… mijn relatie is ook na een heel lange tijd op de klippen gelopen. Dus dan…’

-Hoe lang had je een relatie?

‘Elf jaar.’

-Hoe liep dat op de klippen? ‘Nou ja, het is allemaal te vers om daar dingen over te gaan zeggen. Want anders ga je al helemaal…

-O, het is nog vers.

‘Ja, het is nog vers. Te vers.’

-En onherstelbaar op de klippen?

‘Dat denk ik wel ja. Daar heb ik veel verdriet van gehad maar er komen ongetwijfeld ook weer mooie, nieuwe dingen die ook wel weer heel waardevol zijn.’

-Dan ben je dus kapot en ga je naar de Tweede Kamer, op welk moment pak je je vak weer op?

‘Het kan ook wel een uitvlucht zijn hè, dat je denkt: Ik ga nu heel erg doorvoeld dit debat doen en dan lukt dat ook wel. En ik denk ook, het werk is fantastisch. Maar met kleine dingen, als er dan iets heel lulligs speelt, kan je ook makkelijker denken: Sodemieter op. Je relativeert. Je haalt makkelijker je schouders op.’

Laat je dan ook dingen schieten, als je persoonlijke problemen hebt?

‘Nee, dat niet. Je moet wel, op het moment dat je iets meemaakt, de tijd nemen om het goed een plek te geven en je bent iets aardiger voor jezelf. Je neemt gas terug. Maar je werk is zo’n onderdeel van je leven en je leven is ook zo’n onderdeel van je werk, dat dat allemaal door elkaar kan lopen. Maar ik kan emoties wel goed van werk scheiden. En ik ben ook wel iemand die zich goed, als een Baron von Münchhausen, aan zijn eigen haar, symbolisch dan, want zoveel heb ik niet meer, uit het moeras, naar boven kan trekken.’

-Hoe is dat haar er eigenlijk afgegaan?

‘Toen mijn kaalheid zijn intrede deed? Ik was geloof ik zeventien, toen ik in Krakau in een jeugdherberg in de spiegel voor de eerste keer zag: Hé, mijn kruin! Wat gebeurt daar? Dat was het eerste moment dat ik merkte: Ik ga kaal worden! En sindsdien is dat bergafwaarts gegaan en was ik al behoorlijk kaal toen ik één/tweeëntwintig was. Eigenlijk niet kaal maar wel behoorlijk dun. Toen heb ik het maar heel kort gemaakt.’

-Hoe lang duurde het voordat je dat kon aanvaarden?

‘Niet zo lang eigenlijk. Ik dacht: Dit gaat gebeuren, ik kan er niets aan doen. Toen ik die inhammen merkte, trap je wel even tegen een deur maar daar is het wel bij gebleven. Ik vind het ook wel grappig dat mannen van mijn leeftijd nu langzaam kaal beginnen te worden. Naar de veertig toe. Als een soort prelude van hun midlife crisis en dat ben ik al voorbij. Dat heb ik in ieder geval niet.’

-Laten we het over homo-mensen hebben. Denk je dat er een tijd komt dat discriminatie totaal tot het verleden behoort?

‘Het punt is een beetje wat je accepteert. Kijk, volgens mij zijn we in Nederland behoorlijk ver, we accepteren dat mensen een andere seksuele voorkeur hebben. Ook bij hetero’s is er veel meer diversiteit. Dat mensen ongehuwd samenwonen, open relatie, noem maar op. Eigenlijk zijn homo’s en hetero’s net zo divers. Je hebt ze burgerlijk, huisje-boompje-beestje , die kinderen hebben of geadopteerd, en je hebt de meneer, of de mevrouw, die op een extravagante boot in een string staat te dansen. Bij hetero’s op de Love-Parade, bij homo’s bij Gay-pride. Alles. En die verscheidenheid is fantastisch. Mag je je aan die extravagantie ergeren, ja dat mag, en ook omgekeerd. “Wat is dat vulgair of wat is die truttig.” Maar als er getwijfeld wordt aan iemands recht om die keuzes te maken, dan is dat schandelijk. Ik ben woordvoerder onderwijs en ik weet dat er nog steeds scholen zijn die op streng-religieuze gronden zeggen: Wij willen niet een praktiserende lesbienne als docente hebben. En dan kan je zeggen: Hoeveel praktiserende lesbiennes zullen er nou op zo’n school les willen geven? Dat zullen er inderdaad niet heel veel zijn. Maar het feit dat de wet het nog steeds toestaat werpt een schaduw op de samenleving die veel groter is. Het feit dat er nog steeds trouwambtenaren zijn die huwelijken tussen twee mensen van het gelijke geslacht weigeren uit te voeren, is ook zoiets. De wereld zou te klein zijn als een zelfde ambtenaar zou zeggen: Nee, twee donkere mensen, die trouw ik niet. Een Jood of een moslim, die komt er bij mij niet in.’

Ambtenaren horen in hun werk geen moreel oordeel te hebben

‘Kijk, dat iemand op zo’n school, iets vindt van lesbiennes, of ongehuwd samenwonen, dat mag. Net zoals je ook een moreel oordeel mag hebben over een man die elke avond een andere vrouw mee naar huis neemt. Alleen, die morele oordelen moeten niet leiden tot wetgeving, tot het recht om op iemands vrijheid in te breken.’

Wat moet er gebeuren?

‘Ik vind dat liberale partijen in het debat over moraliteit soms te weinig tegenwicht bieden. Ik ben voor vrijheid, en vind dat je niet alles in een wet moet zetten. Dat ontslaat je niet om buiten de wet om een debat over moraliteit te voeren. Veel liberalen gaan dat debat uit de weg. Maar je kan soms ook een moreel oordeel hebben, als liberaal, over andermans gedragingen. Waarom mag je niet zeggen, dat bepaalde delen van religie, of het nou heel orthodox christelijk is of heel orthodox islamitisch erg vrouwonvriendelijk zijn. Ik ben niet voor een algemeen burkaverbod, omdat domweg technisch heel lastig is vast te stellen of het iemands persoonlijke keuze is of wordt gedwongen. Maar heb ik een moreel oordeel over de burka? Ja, nou en of! Dat vind ik verschrikkelijk, een burka. Dat vind ik echt verwerpelijk. Maar gaat dat vervolgens leiden tot een wet, waarmee je iemand het recht ontneemt? Daar moet je behoorlijk mee uitkijken. Maar ik wil zegen: er is meer dan de wet. Liberalisme of vrij denken is geen vrijblijvendheid hè. Vrijheid moet je ook bevechten. Los van wat je in een wet zet, moet er wel publiek debat plaatsvinden. Ik vind het bijvoorbeeld heel gek dat de humanistische organisaties, bijvoorbeeld het humanistische verbond, zich niet veel meer mengen in maatschappelijke debatten. Je hoort ze niet. Ik ben zelf opgevoed in een vrijzinnig protestantse kerk, een remonstrantse kerk. Ik ben niet gelovig, maar ik vind het nog steeds een fantastisch voorbeeld van religieuze mensen die juist wel tolerant en modern zijn, omdat die heel open met hun opvattingen omgaan. Ook die geluiden wil ik veel meer horen. Laat zien dat religie niet alleen maar de extremiteiten zijn, maar dat het ook vrijzinnig en open kan. Die mensen staan dichter bij mij dan sommige, heel radicale, seculiere groeperingen die op hun manier mensen de mond willen snoeren. Ik vind dat de vrijzinnige mensen zelfverzekerder moeten zijn, zich veel meer moet uitspreken en het debat aangaan.’

Je bent heel bevlogen, dat blijkt ook uit het gesprek, hoe kom je tot rust eigenlijk? Hoe krijg je de hersens tot kalmte? Wat doe je, als je thuis komt?

‘Dan ga ik slapen, vooral. Of niet. Ik heb een paar heel goede vrienden en die zijn er ook, of misschien wel juist in moeilijke tijden. Of moeilijke tijden, het is alweer wat minder moeilijk dan het was. Dat is fantastisch, daar ga ik mee varen in Amsterdam of we gaan naar het theater. En ik sport de laatste tijd weer heel veel. Zwemmen en dat soort dingen.’

Slaap je goed?

‘Over het algemeen wel ja.’

Op welke momenten slaap je dan niet?

‘Als je net uit een relatiecrisis komt, dan slaap je niet zo goed. Maar nu wel weer, ja.’

En na zware debatten in de Kamer?.

‘Slaap ik ook.’

Hoe slaap je dan?

‘Hoe ik slaap?’

Ja. Val je meteen in slaap?

‘Nee, ik kijk vaak op dvd een comedyserie voordat ik ga slapen. Ik moet lachen, zeker als ik gespannen ben. Dan wil ik niet naar een thriller kijken maar wil ik iets waar ik heel hard om kan lachen.’

En dat lukt ook?

‘Absoluut. Dat is heel fysiek hè, lachen, dat middenrif van je trilt helemaal los. Dat is echt fantastisch, dat kan ik iedereen aanbevelen. Daar heb je geen pillen voor nodig.’

Ook in je eentje?

‘Jazeker. Ik kan in mijn eentje heel hard lachen’