Home>>In de media>>Knokken voor het beste onderwijs (Onderwijsblad)

Knokken voor het beste onderwijs (Onderwijsblad)

19 mei 2010
Knokken voor het beste onderwijs onderwijsblad

Dit interview verscheen in het Onderwijsblad. Een interview over betaling van leraren, integratie en D66 als onderwijspartij.

Boris van der Ham heeft een flexplek in de stadsschouwburg. Aan een tafeltje bij de ingang van het café-restaurant houdt het D66-Kamerlid en de nummer 2 van de kandidatenlijst spreekuur. Tussen de afspraken door klapt hij zijn witte Macbook open om even snel zijn mail te beantwoorden. Het is de ochtend van het tweedaagse partijcongres, waarbij het verkiezingsprogramma wordt vastgesteld. Van der Ham houdt zijn mobieltje nauwlettend in het oog.

Zijn partij afficheert zich graag als dé onderwijspartij en wil 2,5 miljard euro extra in de sector investeren. Het Convenant Leerkracht is volgens de partij een stap in de goede richting, maar gaat nog niet ver genoeg. In zijn verkiezingsprogramma pleit D66 voor ‘beloningsdifferentiatie’, een hogere beloning voor docenten in achterstandswijken of probleemvakken. 

Een docent in een extact vak verdient bij D66 meer dan zijn collega?

“Je kunt niet alle situaties met elkaar vergelijken. Een leraar Duits in Enschede is makkelijker te vinden dan in de Kop van Noord-Holland. Maar ik vind dat een school wat extra’s mag bieden bij een vak waarvoor heel moeilijk docenten zijn te vinden, en dat mag in de vorm van extra salaris. 

Er zijn nou eenmaal verschillen. Sommige hebben specifieke kennis die belangrijk is voor de school of schaars op de arbeidsmarkt. Dan mag je daarin onderscheid maken en de verschillen waarderen die er altijd al zijn. Maar dan moet je niet denken aan verschillen van tienduizenden euro’s.

Als je lesgeeft in een achterstandswijk met leerlingen die naast taalproblemen ook allerlei sociale problemen hebben, dan vergt dat extra capaciteiten naast je tweedegraads bevoegdheid voor het vmbo. Als je lesgeeft op een gymnasium met kinderen uit goede gezinnen, dan is dat een anderssoort lesgeven.”

Is dat volgens u makkelijker?

“Dat is vaak makkelijker. Op een zelfstandig gymnasium zitten leerlingen die je op een hele andere manier kunt benaderen. En daar staan docenten vaak in de rij om les te geven.”

Die gymnasium-docent zal toch de wenkbrauwen fronsen als hij hoort dat hij makkelijker werk zou hebben.

“Misschien is ‘anders’ beter dan ‘makkelijker’. Als ik zie dat sommige docenten ontzettend hun best doen om zich ook pedagogisch te laten bijscholen. Die halen allerlei certificaten en hebben zich opgewerkt naar heel specialistische leraren. Dan mogen ze wat mij betreft ook als een eerstegraads betaald worden. Als je naar het opleidingsniveau kijkt kun je beter benoemen en kwantificeren waarom iemand meer mag verdienen. Dan is het niet zomaar nattevingerwerk. Ik zou het heel mooi vinden als een heel specialistische leraar op het vmbo in salariëring op hetzelfde niveau zit als een eerstegrader.”

Het Onderwijsblad publiceerde de afgelopen jaren geregeld over exorbitante financiële buffers bij onderwijsinstellingen. De commissie Don deed vorig jaar onderzoek naar het financiële beleid van schoolbesturen en concludeerde dat besturen vaak overdreven voorzichtig zijn, mede door een gebrek aan deskundigheid. Overtollige reserves mogen wat D66 betreft best afgeroomd worden, om het geld te steken in eenmalige investeringen. “Denk aan verbouwing of onderhoud van een gebouw, of een investering in leermiddelen. Je moet dan ook wel analyseren waarom die scholen zoveel hebben opgepot. Dat heeft te maken met vaak onterechte angst voor risico’s.”

Gebrek aan deskundigheid, zegt de commissie Don.

“Dat bedoel ik, die onterecht angst. Dat een bestuur denkt: ik ben verantwoordelijk voor de salarissen, stel dat er iemand ziek wordt. En dan wordt er gecalculeerd dat iedereen tegelijkertijd ziek wordt. Zo gaan mensen overijverig sparen en ontstaan grote potten met geld.”  

Hoe wilt u die reserves eigenlijk afromen, dat geld zit nu eenmaal bij besturen?

“Dat is natuurlijk best lastig. Je ziet dat gemeenten en scholen nu al convenanten sluiten om gezamenlijk te investeren in nieuwe scholen. Dat is een samenwerking op vrijwillige basis. Een beetje vergelijkbaar met hoe we ook met woningcorporaties omgaan. Laten zien dat ze er voordeel bij hebben. Je moet ze ook een beetje uit de tent lokken. Daar is overredingskracht voor nodig.”

Dat klinkt wel wat vriendelijker dan ‘afromen’. 

“Waar je daar wettelijke middelen voor hebt, kun je die toepassen. Het is een openingsbod: ‘Scholen, kijk naar de cie Don.’ We kunnen niet in vrijblijvendheid blijven hangen.”

Wat vindt u ervan dat besturen die reserves in alle vrijheid hebben kunnen vormen?

“Ik heb in de commissie Dijsselbloem gezeten. Wat daar ook wel duidelijk werd, is dat Den Haag steeds minder bepaalt wat er in de scholen gebeurt. Waar vroeger de blauwdrukken uit de Haagse stencilmachines rolden, zie je nu dat er mini-ministerietjes zijn bijgekomen: de besturen. Die besturen doen vaak goed werk, laten we dat ook zeggen. Maar ze gaan ook vaak ministerietje spelen. De leraar op de werkvloer zal zeggen: ik merk er niks van dat Den Haag een stap terug heeft gedaan. Soms is de afstand nog groter zelfs, want een minister kan door de Kamer worden aangesproken. Maar een schoolbestuur in de regio of stad, is vaak vrij anoniem.”

De tegenkracht zit hem in medezeggenschapsraden, maar dat zijn vaak geen gelijke krachten.

“De tegenmacht is vaak nog niet volwassen. Goedwillende vrijwilligers die dat in eigen tijd ’s avonds er ook nog even bij moeten doen. De hele dag voor de kals gestaan, ’s avonds proberen een heel consortium van bestuurders die allemaal secretaresses hebben en beleidsmedewerkers. Dat is niet gelijkwaardig en dat is een fundamenteel probleem. We hebben bij de commissie Dijsselbloem geconstateerd dat de regels voor medezeggenschap op zich wel goed zijn, maar in de praktijk werkt het niet goed.”

Dus: de autonomie van besturen beperken? 

“Je zou bijvoorbeeld kunnen kijken naar de besteding van de lumpsum, en welk deel daarvan naar salarissen gaat.”

In uw programma pleit u ervoor dat er een miniumumpercentage van de lumpsum naar het primaire proces moet. 

“Klopt.  De lumpsum is niet zomaar heilig. Ik wil nog geen percentages noemen, omdat ik het eerst aan het onderwijs zelf wil overlaten. Maar als we op dezelfde voet doorgaan, als flinke percentages verdwijnen richting de leemlaag en het primaire proces eronder lijdt, dan hebben we een stok achter de deur. En dan gaan we percentages noemen. De tijd van vrijblijvendheid is over.”

D66 is mede-verantwoordelijk voor een initiatiefwet waarmee de Tweede Kamer de acceptatieplicht wil invoeren. Daarmee moet het wat moeilijker worden voor scholen om op levensbeschouwelijke gronden leerlingen te weigeren. Een remedie voor de segregatie in het onderwijs – zwarte en witte scholen – ziet Van der Ham er niet in. 

“Dat zit hem in heel andere dingen. In gekwalificeweerde docenten die goed kunnen inspelen op de problemen van leerlingen. In gemengde wijken. Zwarte scholen niet geen probleem omdat ie zwart is, maar omdat een grote groep leerlingen uit sociaal-economisch zeer zwakke gezinnen komt. Wat wel werkt? Brede scholen, uitval bestrijden. Leerlingen die niet op komen dagen thuis opzoeken, dat is effectief. Je moet de probleemgevallen verminderen door de problemen aan te pakken.

Maar het idee dat je met busjes door de stad gaat rijden om de segregatie tegen te gaan, zoals de SP voorstelt, vind ik echt waanzin. Dat gaat in tegen de principiële keuzevrijheid van ouders.”

Dan sturen witte ouders hun kinderen toch maar liever naar een witte school, ondanks alle prachtige plannen.

“Dat is hun goed recht. Dat zeg ik duidelijk, want die verantwoordelijkheid ligt bij ouders. Maar er zijn ook ouders die zien dat op een aantal scholen hele grote stappen worden gemaakt. En dat sommige ‘gekleurde’ scholen bijna een soort van hippe status krijgen, en dat ouders hun kinderen juist daarheen laten gaan. Hoger opgeleide allochtone ouders zie je hetzelfde met hun kinderen doen als blanke ouders. Dus het zit ‘m niet in blank of zwart. Begin met de kwaliteit van de school en de mix van de wijk.”

Dat gaat nog lang duren, als u eerst de mix van de wijk wilt veranderen.

“Een van de taboes rond integratieproblemen is dat het tijd kost om te op te lossen. Je kunt miljarden in het onderwijs investeren, en dat moet je ook zeker doen. Je moet heel veel werkgelegenheid creëren. Regels wegnemen zodat mensen makkelijker een eigen bedrijfje kunnen beginnen. Ervoor zorgen dat iedereen de Nederlandse taal spreekt. En dan is het net als met de bierreclame van Heineken: And now we wait. Nu moeten mensen het zelf gaan doen. En dan moeten mensen hun kans pakken.”

 

Nog één puntje, waarom is het nou toch niet gelukt om iemand uit het onderwijs op de lijst te zetten?

“Dat is ook maar relatief. Er staan bij ons twee onderwijswoordvoerders op nummer één en twee, Alexander Pechtold en ik. En bovendien, Fleur Gräper (nummer 18, red.) werkt op de Hanzehogeschool. Dus het is helemaal niet waar dat we niemand uit het onderwijs op de lijst hebben.”

Is dat niet wat mager, D66 afficheert zich als dé onderwijspartij …

“Die docent moet zich dan wel verkiesbaar stellen voor het Kamerlidmaatschap. Maar ik vind het ook een rare redenering. Iemand die jaren voor de klas heeft gestaan is niet per se de beste strijder voor het onderwijs. Ik ken mensen die goeie docenten waren, maar als politicus of bestuurder geen deuk in een pakje boter sloegen voor het onderwijs. Je hebt mensen nodig die als het er op aan komt willen en kunnen knokken voor het onderwijs.”