Home>>In de media>>Ik voel dat ik haast heb (Parool)

Ik voel dat ik haast heb (Parool)

06 feb 2010
Ik voel dat ik haast heb parool

Begin februari 2010 verscheen er een groot interview in de zaterdagbijlage van Het Parool. Een persoonlijk interview afgenomen door Gijs Groenteman over politiek, familieleven, mijn studententijd op de toneelschool en de beginselen van het vrije denken.

 

 

Je bent zesendertig jaar, sinds je vijftiende actief bij D66 en al bijna acht jaar kamerlid. Is jouw persoonlijke leven los te zien van de politiek?

Wie ik ben hangt zo samen met wat ik vind, waar ik de hele dag mee bezig ben, dat dat eigenlijk onmogelijk is. Ik werk tachtig uur in de week en ben altijd onderweg. Ik vind dat je alleen politicus kan zijn vanuit een persoonlijk engagement.

Maar die ring aan je rechterhand heeft bijvoorbeeld niks met politiek te maken.

Die heb ik zeven jaar geleden gekregen van mijn vriend.

Zijn jullie getrouwd?

Nee.

Zou je dat willen?

Ooit. Mijn vriend en ik zijn nu tien jaar bij elkaar, en hij is degene met wie ik oud wil worden.

Speelt je homoseksualiteit een rol in je politieke engagement?

Gelijke behandeling wel, maar dat zou ook zo zijn als ik hetero was.

Is je homoseksualiteit ooit een probleem voor je geweest?

Het feit dat ik homo ben is geen groot onderdeel van mijn leven, eerlijk gezegd. Ik ben niet zo van het hokjesdenken en zou het jammer vinden als mensen mij alleen daarop zouden samenvatten.

Heb je ermee geworsteld?

Kijk, als je er net achter komt verlies je liever een been dan dat je het bent.

Op welke leeftijd gebeurde dat bij jou?

Gaan we het hier nu het hele interview over hebben?

Laten we het even snel afhandelen.

Ik denk dat ik een jaar of vijftien was. Het was een soort twaalfde-eeuwse renaissance, want kort daarna werd ik alsnog verliefd op een meisje, dus dacht ik opgelucht: ‘Oh, het is dus tóch niet zo.' Ik speelde Don Quichot bij het schooltoneel. Ik werd verliefd op Dulcinea, zowel in het stuk als in het echt. Met dat meisje heb ik nog wel gezoend enzo, maar ze was wel zo'n beetje de laatste.

In een blog op je website refereer je ook al aan die schoolvoorstelling, De man van La Mancha. Is dat een belangrijk evenement geweest in je leven?

Heel belangrijk. Ik zat op de HAVO in Uithoorn, een nieuwe school, want ik kwam net van de MAVO. Het was schooltoneel, maar ik kon er werkelijk alles in kwijt. Zingen, acteren - dingen die ik graag deed en doe. Tot dat moment vond ik school niet zo interessant, maar ineens zat ik tussen een groep mensen die gemotiveerd was, die het leuk vond om aan iets mee te werken. Er ontstond een enorme intensiteit, terwijl ik gewend was dingen zelf te rooien. Ik ben er socialer door geworden, en ben geweldig gaan vinden bij mensen te zijn die gemotiveerd zijn om er iets moois van te maken. Dat heb ik nog steeds.

Heb je toen het engagement ontdekt?

In die tijd werd ik ook lid van de Jonge Democraten. Ik werd bij D66 op lokaal niveau actief in Nieuwkoop, zat te discussiëren met allemaal mensen die veel ouder waren dan ik. Ineens vond ik school ook leuk. Ik maakte een enorme sprong.

Waarom begon je op de MAVO?

Ik had niet zoveel met school. Ja, de mensen bij het vak geschiedenis vond ik leuk.

Was je een weerbarstig jongetje?

Ja, dat was ik wel. Het grote verschil met anderen was denk ik, dat ik redelijk goed wist wat ik wilde. Op school discussieerde ik me suf over politiek - maar het beklijfde niet. Veel medeleerlingen waren toch vooral druk met op hun brommer rijden. Schrijven en toneel trokken me ook. Toen ik in de eerste klas van de MAVO zat, zag ik op tv een aankondiging voor Mijn Idee van de NCRV. Je kon als kind een verhaal opsturen en dat zou dan mogelijk verfilmd worden door Karst van der Meulen. Ik schreef een verhaal over een jongen die een tijdreis maakte naar de zeventiende eeuw en Hugo de Groot aan het idee hielp om per boekenkist uit de gevangenis te ontsnappen. Ik twijfelde hevig of het wel goed genoeg was, maar stuurde het uiteindelijk in en het werd uitgekozen. In de aflevering  speelden acteurs als Truus te Selle, Lex Goudsmidt en Johan Leysen. Ik had zelf een klein rolletje als koksmaat, dus was ook bij de opnames op slot Loevestein. Ik weet nog  goed dat ik bij een avondopname over de binnenplaats uitkeek, waar tientallen mensen druk bezig waren met de opnames, en trots dacht: ‘Dit komt door mij, zonder mij was dit niet gebeurd.' Dat is een magisch gevoel dat je soms in de kunst hebt, en heel soms in de politiek.

Vind je het achteraf niet spijtig dat je niet meteen op de HAVO of het VWO begon?

Ik kijk nu met veel meer plezier terug op de MAVO. Het was wat rauwer. En onderschat ze niet. Op de HAVO pikte je ze er zo uit.  Bij het schooltoneel stierf het van de VWO-ers, maar mensen die via de MAVO op de HAVO waren gekomen, hadden vaker de hoofdrol. Wij hadden op ons vijftiende al een eindexamen met bijbehorende stress en feestjes achter de rug, en hadden ons doel al wat meer voor ogen.

Welk doel was dat bij jou?

Iets met theater en iets met politiek. En zo is het ook gebeurd: ik heb op de Toneelschool gezeten en drie jaar gespeeld, daarna ben ik de politiek in gegaan. Waar dat toneel vandaan komt weet ik niet. Het politieke kwam van mijn moeder. Zij was actief in de lokale politiek, ook voor D66. De rest van mijn familie is ook politiek geïnteresseerd, zij het voornamelijk in de Christenunie en de SGP.

Je zat op de Toneelschool in Maastricht, die als zeer zwaar bekend staat. Gedijde je daar goed?

Het is in elk geval een van de meest vormende periodes in mijn leven geweest. Je wordt er door de mangel gehaald. Een paar honderd man deed auditie, daarvan gingen er tweeënveertig naar het eerste jaar, en daar bleven er maar negen van over in het tweede. Daar was ik er één van. Ze kweekten discipline. Om half negen rondjes gaan rennen. Opdrukken. De klassiekers leren kennen.  Ik kreeg daar het soort onderwijs dat ik iedereen zou toewensen. Ik herinner me dat ik in het eerste jaar een scène speelde waarvan ik zelf dacht: best aardig. Maar het was niet goed genoeg. Een van de hoofddocenten, René Lobo, brandde me vervolgens helemaal af. "Je kan het voor een tien, doe het dan voor een tien!". Ik vond dat meteen, op dat moment al, een verademing. Ik zou het elke student gunnen om af en toe eens flink, één op één, op je flikker te krijgen. Het is namelijk heel prettig om te merken dat het iemand iets kan schelen wat je doet, dat het ertoe doet.

Vond je jezelf een goede acteur?

Ik denk het wel. Ik ging altijd met vlag en wimpel over, daar was nooit enige discussie over. En voor de rollen die ik heb gespeeld, heb ik ook goede recensies gekregen. Ik ben er dus niet mee opgehouden wegens gebrek aan talent, maar ik merkte dat ik mijn creativiteit beter kwijt kon in de politiek. Als uitvoerend kunstenaar ben je volstrekt afhankelijk van de regisseur die voor je neus staat. Daarbij had ik de pech dat ik na mijn afstuderen in een paar producties stond waarvan ik dacht: waarom doe ik dit, waarom volg ik deze regieaanwijzingen op, waarom sta ik in dit stuk, waarom bestaat dit stuk überhaupt?

Wanneer raakt toneel jou?

Het ontroert me als je het dilemma dat zich vandaag in een flatgebouw in Purmerend voordoet herkent in een tekst die meer dan tweeduizend jaar geleden is geschreven. Ik geloof niet in een god, maar ik geloof in herhaling. Daar ontleen ik houvast aan. Dat is volgens mij ook de echte kracht van religie, van literatuur en toneel. Je leest over iemand in een woestijn, in een ander tijdsgewricht, die een onredelijke hoeveelheid onrecht over zich heen krijgt, en je denkt: dat heb ik ook wel eens. En als dat op het toneel, in heel concrete dialogen, in prachtige taal voor je wordt uitgespeeld, is dat vertroostend.

Als je zo van prachtige taal en concrete dialogen houdt, lijkt de Tweede Kamer me een frustrerende plek om te werken.

Nou ja, er zijn heel soms juweeltjes van debatten. En je kan de schoonheid van de taal zelf ook opzoeken. Toen de Koningin in haar kersttoespraak wat modieuze klachten uitte over het ideaal van het vrije individu, nam ik een soort vrijzinnige schriftlezing op voor internet, bijna als een dominee. Ik nam een tekst van de zeventiende-eeuwse denker Franciscus van den Ende over het concrete belang van dat ideaal. Het was bedoeld met een knipoog, maar tot mijn verbazing mailden mensen: doe dat vaker, als politicus je idealen verklaren.

Je wil de dominee van het individualisme worden?
Op mijn zeventiende deed ik een beroepskeuzetest waar een van de uitkomsten inderdaad dominee was. Het probleem was dat ik niet gelovig ben.

Hoe vind je het dat het hele politieke bedrijf tegenwoordig door zo veel mensen geminacht wordt?

Steeds meer mensen verhouden zich dubbelhartig tegenover de politiek. Politici worden gewantrouwd, en tegelijk moeten ze wel alle problemen oplossen. Dat is gevaarlijk, de staat is geen geluksmachine.  Je kan onderwijs aanbieden, mensen een beetje op weg helpen, maar uiteindelijk moet iedereen het zelf doen. En dat kost tijd. In het integratiedebat zie je dat dat mensen zenuwachtig maakt.  De enige manier waarop je daarop kan reageren is door er eerlijk over te zijn: ‘Mensen, we kunnen van alles doen, maar uiteindelijk kost het gewoon tijd.'

Is cynisme jou eigenlijk vreemd?

Cynisme is een onderdeel van mij, maar ik wil er niet aan toegeven. Ik vind dat die reflexen mij niet mogen leiden.

Welke reflexen moest je onderdrukken toen de fractie van D66 bij de vorige verkiezingen tot drie man werd teruggebracht, een dieptepunt voor de partij?

Ik werd strijdbaar! We hadden zo hard gewerkt in de campagne, tot diep in de nacht foldertjes in bussen doen en postertjes plakken. Dus juist toen de partij langs de afgrond ging, dacht ik: ik blijf op het nest.

Als je beloning na al die foldertjes en postertjes drie zeteltjes is, kan je ook denken: dit heeft dus geen zin meer.

Ach, al zou het geen zin meer hebben, je gaat toch gewoon door.

En nu opereren jullie ineens weer in de geur van succes. Is dat succes stuurbaar of overkomt het je?

Hard werken, met Alexander voorop, is een vereist, maar het komt ook door de omstandigheden. De regering wil niet economisch hervormen, wij juist wel. Men is anti-Europa, wij zijn vóór. De politieke wind is conservatief en betuttelend, wij zijn juist vrijzinnig. Wij proberen de nuance op te zoeken, terwijl de grote mond in het debat regeert. In de tijd van Paars II leek de hele politieke omgeving nogal op ons, en vielen wij daarin een beetje weg. Wij zijn steeds redelijk onszelf gebleven, maar doordat de rest zo naar alle kanten vliegt krijgen we vanzelf weer contour.

Wanneer hadden jullie het momentum weer?

Toen we drie jaar geleden het verkiezingsprogramma maakten stonden we zo laag, dat we dachten: we kunnen nu alleen nog maar overleven door simpelweg op te schrijven wat we echt vinden. Taboes rond hypotheekrenteaftrek, de economie of de AOW durfden we aan te vechten, zonder meteen aan de electorale consequenties te denken. Dat was een goede keus.

En herinner je je nog het moment dat Pechtold ineens veranderde van charmante brekebeen in kranige oppositieleider?

Kort na de verkiezingen was er een procedureel debatje in de Tweede Kamer. Hij liep naar de microfoon, haalde diep adem en liet alle ballast - zijn moeizame ministerschap, de dramatisch verlopen verkiezingen, het legertje mensen dat hem van allerlei adviezen voorzag - van zich afglijden. Met een vrolijke en scherpe, een lichte en heldere toon ging hij dat debat in. En meteen dacht ik: volgens mij kan dit wel gaan werken. Terwijl ik bij de lijsttrekkerverkiezing van D66 nog op Lousewies van der Laan gestemd, omdat ik haar destijds helderder en meer in vorm vond.

Heb jij Pechtold ook geadviseerd over zijn vrolijke en scherpe toon?

Dat komt vanuit hemzelf. Dat zit misschien ook in ons. Als ik voor een zaaltje sta noem ik D66 de protestpartij voor optimistische mensen.

De afgelopen drie jaar moeten raar voor je zijn geweest: met je werk ging het goed, maar allebei je ouders zijn overleden.

En daardoor ben ik ook met mijn neus op de relatieve kant gedrukt. Eerst overleed mijn vader, hij was al lang aan het kwakkelen. Bij mijn moeder werd in 2008 geconstateerd dat de kanker, waar ze eerder succesvol voor behandeld leek, helemaal uitgezaaid was. Ze kreeg te horen dat ze nog maar een half jaar te leven had. Ik heb de maandag erna mijn agenda geschoond en ben gaan mantelzorgen. De laatste paar maanden van haar leven vielen in het zomerreces en ben ik bijna permanent bij haar geweest, samen met mijn zusje. Het was een hele intensieve periode, en gek genoeg ook heel gezellig. Ineens was ik weer in het dorpje waar ik was opgegroeid en verschoonde ik mijn moeder. De dood van mijn ouders heeft tot op de dag vandaag  vat op me. Ik voel de rouw nog in mijn lichaam, ik wist niet dat dat zo lichamelijk kan zijn. Wat ook is veranderd: tot de ziekte  van mijn moeder belden mijn jongere zus en ik elkaar vrijwel nooit. Als we elkaar zagen hadden we al snel typische broer-en-zus mot, een echo van de puberteit. Nu hangen we meerdere keren per week aan de telefoon. Ik besefte hoezeer wij bij elkaar horen, dat ze van het zelfde bloed is, en hoe belangrijk ze voor me is.  

Hebben al die jaren in de politiek je gebracht wat je ervan gehoopt had?

Ik zit nu nog te veel in het spitsuur van mijn leven om dat al te kunnen zeggen. Ik vind dat ik het een en ander bereikt heb, maar er moet nog wel wat gebeuren.

Voel je je soms niet Don Quichot die je op school speelde, alsmaar strijdend tegen windmolens?

De naïviteit van Don Quichot heb ik niet, daarvoor ben ik te concreet. Don Quichot geloofde in de goedheid van de mens, maar ik ben calvinistischer en weet dat de mens ook geneigd is tot het kwaad. Filosoferen over een utopisch ideaal is mooi, maar uiteindelijk moet je handelen, de tegels in je straat gaan rechtleggen. Don Quichotte was misschien meer mijn vader. Hij was een wetenschapper tot in zijn vezels, een wiskundige die afstudeerde met hoge cijfers, maar die uiteindelijk nooit een proefschrift heeft geschreven. Omdat hij elk onderwerp bij nadere bestudering eigenlijk te klein, te nietig vond. Hij keek soms met verbazing naar mij. Ik heb een vrij concreet lijstje wat ik wil afhandelen: een paar wetten maken, er wat afschaffen, een paar boeken en toneelstukken schrijven. En ik voel dat ik haast heb. Misschien blijken ze op de schaal van de wereldgeschiedenis of de wetenschap wel futiel, maar het zijn de punten die ik wil af werken.