Home>>In de media>>Het leven is kort

Het leven is kort

01 mei 2010
Het leven is kort

Dit interview verscheen in het blad Yarden, een uitvaartverzekeraar. weede-Kamerlid Boris van der Ham (36) is de coming man van D66. Hij omschrijft zichzelf als vrijzinnig, houdt van het debat en zijn politieke werk. Na de dood van zijn ouders is er het besef dat het leven kort is. En dat hij nog andere verlangens heeft die vragen om uitvoering.

'Jeugdjournaalidealisme'. Zo benoemt Boris van der Ham zelf zijn startpunt in de politiek. "Ik ben een kind van de jaren '80. De tijd waarin USA for Africa het nummer ‘We are the world' speelde om geld in te zamelen tegen honger in Afrika. Je had nog de Koude Oorlog, en de kruisraket. Ik vond dat heel eng. Ik dacht ‘Als er nu iemand op de knop drukt, gaat de wereld kapot'. Die tijd heeft me gevormd. Wij woonden in Nieuwkoop, niet ver van Schiphol. Als een vliegtuig overvloog, moest ik er vaak aan denken dat hij een kruisraket aan boord zou kunnen hebben."

 

Zelf nadenken over vraagstukken werd thuis sterk gestimuleerd. "Mijn zus en ik konden over van alles met mijn ouders praten, ook over ethische zaken zoals dood en leven. Mijn ouders waren zelf orthodox-protestantse  opgevoed, maar waren inmiddels vrijzinnig.." Op zijn vijftiende werd Van der Ham actief bij de lokale afdeling van D66. "Gelijke kansen,  goed onderwijs. Daar zit ik voor in de politiek. D66 past het beste bij me. Het is een open, niet-dogmatische partij waar een zekere mate van relativering heerst. De overheid is geen gelukmachine: Je moet het in eerste instantie zelf doen."

 

Straatgevoel

Na zijn studie geschiedenis en later aan de Toneelacademie in Maastricht, speelt Van der Ham voor diverse toneelgezelschappen. Tegelijk is hij landelijk voorzitter van de Jonge Democraten. In 2002 kiest hij om verkiesbaar te zijn voor de Tweede Kamer.   Het geeft hem de mogelijkheid om dingen te veranderen, te verbeteren. Het verwijt aan politici dat ze de ‘straat' niet kennen, ergert hem. "Natuurlijk zijn er politici die echt losgezongen zijn. Maar er zijn er genoeg die zelfs meer ‘straten' zien dan de gemiddelde Nederlander. Dat is het gekke. Waar de meeste mensen toch vooral in hun eigen kringetje en buurt blijven, kom ik vaak juist waar anderen niet zo snel zou komen. Van een voedselbank, tot aan achterstandsscholen, of je loopt een paar dagen mee met de thuiszorg. Ik werk ruim 80 uur per week, spreek heel veel mensen, en dat geeft een zeer breed inzicht in wat er aan de hand is. Natuurlijk kan je niet iedereen zijn zin kan geven. Als kamerlid moet je afwegingen maken. Sommige mensen met een uitkering wensen een hoger bedrag, maar als ik moet kiezen, geef ik liever geld voor omscholing, zodat iemand weer werken kan."

 

Parcours van herinneringen

De afgelopen drie jaar heeft het overlijden van zijn ouders "in het spitsuur van mijn leven" hem intens beziggehouden: Zij waren gescheiden, maar bleven zorgzaam voor elkaar. Zijn vader stierf in 2007, zijn moeder een jaar later. Liefdevol haalt hij herinneringen aan hen op. "Mijn vader zag voor zichzelf een bescheiden rol. Ik herinner me dat ik met hem had afgesproken om samen in Amsterdam, waar hij woonde, naar de film te gaan. Het was koud. Toen ik kwam aanlopen zag ik ‘m staan. Met een grote muts op die hem niet stond. Een ontroerend beeld. Ik vermoed dat hij daar al een tijd heeft staan wachten. Als ik nu door Amsterdam loop, is het een heel parcours van herinneringen. Hij was wiskundige aan de Vrije Universiteit en heeft me mede gevormd door de boeken die hij thuis overal achterliet. Die ging ik lezen."

Zijn moeder kreeg in die periode kanker. "Ze zorgde voor mijn vader en ineens lag ze zelf in het ziekenhuis. Twee kilometer verderop, in het Anthony van Leeuwenhoekziekenhuis waar ze zo lang als verpleegkundige had gewerkt. Zij was de smaakmaker van mijn jeugd. Een krachtige, dappere vrouw. Als iets in haar ogen niet deugde, bleef ze daar gedreven tegen ageren. Het maakte haar niet uit als ze het daarbij tegen een arts moest opnemen."

Vertroostend

"Ik was aanwezig toen mijn moeder overleed. Daar besefte ik dat de grens tussen leven en niet-leven erg dun is. Het leven heeft sinds die tijd aan urgentie gewonnen: ik moet niet te lang wachten met dingen doen die ik wil doen. Ik vind mijn werk heerlijk, maar ik weet nu dat ik over de helft ben. Ik wil nog boeken schrijven. Politieke boeken, maar misschien ook literair."

In het stervensproces van zijn moeder heeft hij ook ervaren hoe belangrijk het is dat palliatieve sedatie zorg mogelijk is, of de mogelijkheid van euthanasie. "Het was uiteindelijk niet nodig, maar als mijn moeder pijn had gekregen, had palliatieve sedatie dat kunnen wegnemen. Het idee alleen al dat dit bespreekbaar is, net als euthanasie, geeft veel mensen in hun laatste fase rust. Dat geldt voor mij ook. Zo'n bisschop Eijk die gezegd heeft dat euthanasie een gebrek aan moed is... daar word ik erg boos over. Veel gelovigen zitten daar gelukkig veel soepeler in."

Over zijn uitvaart heeft hij redelijk vaste denkbeelden. "Ik ben niet van het ‘feestje bouwen'. Ik wil graag dat er gezongen word. Veel samenzang, dat vind ik mooi. Dat hoor je helaas niet veel op niet-religieuze uitvaarten. Ik hoop dat er tegen die tijd een soort seculiere liturgie bestaat. Daarnaast wil ik graag dat er vrienden en familie spreken. Op mijn graf een mooie zwarte steen. Ik merk hoe fijn het is dat mijn ouders een graf hebben. Ik ga er regelmatig  heen, heb het gevoel dat ik er wat kan doen. Het is fijn ernaartoe te gaan en daar wat te rotzooien met plantjes, bloemen en dat soort dingen. Dat is zeer vertroostend."