Home>>In de media>>Boren in hard hout (Democraat)

Boren in hard hout (Democraat)

20 dec 2012
Boren in hard hout democraat

In het decembernummer van de Democraat, het ledenblad van D66 een interview met Boris van der Ham. Na tien jaar kamerlidmaatschap nam hij afscheid 'om even een frisse neus te halen'. In gesprek met Pim van Mierlo blikt hij terug op zijn tijd in Den Haag, kijkt vooruit en heeft een aantal kritische punten richting D66. Hij vertelt wat er zo mooi is aan de landelijke politiek, wat hij de komende jaren gaat doen en of we hem nog gaan terugzien in Den Haag.

Je bent tien jaar lid geweest van de Tweede Kamer. Een behoorlijke periode! Hoe kijk je terug op die tijd?

Met heel veel plezier. Het was een productieve en intensieve tijd. Een roerige periode in de Nederlandse geschiedenis. Ik kwam in de Kamer toen Fortuyn net was vermoord. Een heftige periode ook voor D66. In de afgelopen jaren hebben we de partij weer moeten opbouwen. En dat is gelukt – we staan er weer.

Welk gevoel overheerst na je afscheid?

Op de laatste dag in de Kamer was er wel weemoed. Sommige politici verlaten de politiek met een cynisme of een bepaalde bitterheid. De schouderophalende houding van ‘ach, wat voor zin heeft het gehad’. Dat is bij mij absoluut niet het geval. Ik ben er in al die jaren alleen maar meer van overtuigd geraakt dat politiek actief zijn echt zin heeft.

Waarom heeft het zin?

Als er iets wezelijks mis is in de samenleving en je houdt vol om dat te veranderen, dan lukt dat. Zelf heb ik dat bijvoorbeeld gedaan door veel initiatiefwetsvoorstellen in te dienen. Van het schrappen van het verbod op godslastering tot aan heel concrete wetten over het verruimen van de winkeltijden en het verbeteren van het onderwijs. Uiteindelijk is het politieke vak, zoals de Duitse filosoof Max Weber dat ooit zei, boren in hard hout. Je moet lang volhouden, een echte doorzetter zijn.

Klinkt dat mooier dan de politieke werkelijkheid is?

Het is ook niet makkelijk, maar het werkt wel. Neem het pleidooi van D66 om de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar te brengen. Eerst stemden maar 3 Kamerleden voor, die van D66, en dus 147 tegen. Maar we hielden vol en kregen gelijk. Voorop lopen en je nek uitsteken levert in eerste instantie misschien geen applaus op, maar uiteindelijk blijkt volharding te lonen.

Hoe heb je de partij zich in de afgelopen jaren zien ontwikkelen?

Ik werd in 1998 landelijk voorzitter van de Jonge Democraten en was ook actief bij ‘Opschudding’, een vernieuwingsbeweging binnen D66. Destijds werd D66 vooral herkend op immateriële kwesties en het democratie-verhaal. Maar D66 heeft nog zoveel meer te vertellen, vonden we. Die druk heeft gewerkt. Onderwijs en sociaal-economische onderwerpen kwamen hoger op de agenda. D66 is veel volwassener geworden. Een partij waar je je portemonnee aan durft toe te vertrouwen. En die ook steeds meer een antwoord kan geven op vragen die mensen dagelijks bezighouden. Hoe verdien ik mijn boterham? Waar kan ik wonen?

Welke logische vervolgstappen liggen in lijn met die ontwikkeling?

D66 en het gedachtegoed van de partij zijn veel meer waard dan de hoeveelheid zetels die we nu hebben. Twaalf zetels in de Tweede Kamer is mooi, maar de echte grote sprong moeten we nog maken. Er wacht een mooie toekomst op D66, maar daar moeten we nog wel veel aan doen. Wat moet er gebeuren? Ik denk dat een goed sociaal-economisch verhaal heel belangrijk is. Dat gaat over de concrete zorgen van mensen, over een baan, een huis. Maar tegelijkertijd moet D66 uitkijken niet te technocratisch te worden of de gevestigde orde te verdedigen. En die reflex is er soms. Europa, de economie en de zorg verdienen volgens mij een grondige wijziging van koers. En daarbij moet D66 ook het hart niet vergeten. Dat klinkt misschien soft, maar is het niet. Het heeft te maken met de vraag hoe je de samenleving ziet. Wat bindt vrije, individuele mensen? Wat bindt ons nu eigenlijk als samenleving – wat houdt ons bij elkaar? De ideeën daarover mag D66 meer ontwikkelen wat mij betreft.

Er is veel wantrouwen van burgers naar de politiek, waar komt dat vandaan?

Tja, dat ligt aan hoe mensen naar de politiek kijken. Aan de ene kant verwacht men veel van de politiek (‘laat de politiek de problemen maar oplossen’), terwijl men aan de andere kant wil dat de politiek zo min mogelijk doet (‘laat het me lekker zelf oplossen’). Dat evenwicht zoeken is ingewikkeld. Het is het grootste vraagstuk voor de komende decennia: de politiek kan niet alles oplossen en regelen, maar waar moeten we er wel echt zijn voor mensen? Dat is ook voor D66 belangrijk: wat willen we als politiek voor mensen zijn?

Laat ik jou die vraag stellen. Wat willen we als politiek voor mensen zijn?

Het doel is natuurlijk om mensen in staat te stellen het beste uit zichzelf te halen. Met goed onderwijs, veiligheid en een rechtsstaat. Dat is echter abstract. De meeste mensen ergeren zich het meest aan concrete, persoonlijke misstanden. Over het gebrek aan een persoonlijke benadering in de zorg, het vuil op straat of instanties die langs elkaar heen werken. Hier is de politiek hard nodig als ombudsman, om op de uitvoering van die abstracte idealen te letten. Maar dan moet je wel je ogen open houden als politiek. Schaalvergroting ontneemt je vaak het zicht daarop. Dat zie je in de zorg, het onderwijs maar ook bij het opschalen van gemeenten naar 100.000 inwoners. Buiten de randstad levert dat monstergemeenten op en dan ligt vervreemding op de loer. Het gevoel van benaderbaarheid, van herkenbaarheid komt op de tocht te staan. Mensen moeten zich kunnen herkennen in de politiek.

Kun je als een van de 150 Kamerleden wel benaderbaar en herkenbaar zijn voor bijna 17 miljoen Nederlanders?

Het bijzondere aan Kamerlid zijn, is dat je op het ene moment abstracte moties indient over honderden miljoenen euro’s voor bijvoorbeeld natuur, terwijl je het volgende moment via een persoonlijk telefoontje met iets heel concreets wordt geconfronteerd. Een mooi recent voorbeeld daarvan was de moeder van een dove jongen uit Maastricht. Haar 12-jarige zoon moest vanwege zijn handicap in een internaat in Brabant gaan wonen, 150 kilometer van huis. Dat werd allemaal gefinancierd door de overheid. Hij kon ook gewoon naar een gelijksoortige school, net over de grens in het Belgische Hasselt. In dat geval zou hij thuis kunnen blijven wonen. Maar de bureaucratie verhinderde dat! Op zo’n moment kun je als volksvertegenwoordiger heel concreet opereren. Europa, onderwijs, de zorg voor mensen die iets extra’s nodig hebben – alles komt dan bij elkaar. Als volksvertegenwoordiger moet je dan lustig door bestaande structuren denderen, het oplossen en ervoor zorgen dat dit ook voor andere gevallen goed geregeld wordt. Zoiets concreets kunnen doen, dat is prachtig.

En nu dus het leven na tien jaar Kamerlid te zijn geweest. Waar ben je allemaal mee bezig?

In juni heb ik een boek uitgebracht, ‘De vrije moraal’. Het gaat over de historische ontwikkeling van de typische Nederlandse vrijheden, waar we in het buitenland om geroemd en verguisd worden. Ik schetst bovendien de nieuwe dilemma’s van die vrijheden. Waar houdt vrijheid op? Ik geef nu nog veel lezingen over mijn boek en andere onderwerpen, in binnen- én buitenland – dat helpt goed bij het afkicken van de politiek. Ik heb een bedrijfje en ben net benoemd tot voorzitter van het Humanistisch Verbond, de vereniging die staat voor een seculiere levensbeschouwing.. Voor de rest ben ik me rustig aan het oriënteren op een nieuwe grote klus.

Wat neem je mee uit je jaren in de Kamer?

Veel ervaring. Het feit dat ik tussen 2006 en 2010 samen met Alexander en Fatma een fractie vormde van drie personen, heeft mij enorm gevormd. Noodgedwongen ben je woordvoerder geweest op ontzettend veel terreinen. We hebben toen zoveel werk verzet, het hele land afgereisd, samen met de afdelingen de partij weer opgebouwd. En daarnaast hebben we ook gewoon heel veel plezier gehad met een geweldige groep medewerkers.

Hoe zie je de toekomst voor je?

Een van de belangrijkste redenen waarom ik me niet verkiesbaar stelde bij de afgelopen verkiezingen was omdat ik een frisse neus wilde halen.. Al langere tijd wil ik ook een aantal eigen projecten vormgeven. Op een gegeven moment heb ik me gerealiseerd dat als ik het nu niet doe, ik het misschien nooit meer doe. Dus heb ik het risico genomen. Ik ben gestopt als Kamerlid, terwijl ik het eigenlijk nog steeds fantastisch vond in de Kamer! Ik ga nu weer in de samenleving aan de slag en hoop daarin nieuwe ervaringen en ideeën op te doen. En misschien leiden die ideeën wel weer naar de politiek.

Dus weer actief in de politiek?

Haha, ja, ooit. D66 heeft er hard voor gepleit dat we doorwerken totdat we 67 jaar zijn. Ik ben nu 39, dus nog heel jong. Ergens daartussen zal het heus wel weer eens gaan kriebelen. De politiek is iets wat me ontzettend boeit en waar ik ongelooflijk veel energie van krijg. Na tien jaar vond ik het gezond een frisse neus te halen. Maar hoe lang ik dat ga doen? Geen idee. Heel graag zou ik Laurens Jan Brinkhorst nadoen die tot ver na z’n 67e nog steeds aan het werk is, evenals onze andere good oldies overigens, zoals Jan Terlouw en Els Borst. Het zijn mensen die tot op hoge leeftijd aan de slag zijn en een grote maatschappelijke en politieke betrokkenheid tonen. Dat is eigenlijk mijn ideaalbeeld.

 

HIER meer over Van der Ham's boek 'De Vrije Moraal' en HIER kunt het het boek online bestellen.

Foto: Sofie Knijff

Dit interview is verschenen in de Democraat, ledenblad van D66, december 2012

Interview afgenomen door Pim van Mierlo, eindredacteur DEMOCRAAT