Home>>In de media>>Vrijheid van onderwijs niet gebruiken voor discriminatie (Trouw)

Vrijheid van onderwijs niet gebruiken voor discriminatie (Trouw)

29 okt 2010
Vrijheid van onderwijs niet gebruiken voor discriminatie trouw

Orthodox-religieuze scholen kunnen niet onbeperkt eisen stellen aan de religieuze opvattingen van leraren. Dat stelt o.a. D66-kamerlid Boris van der Ham in een opinieartikel in dagblad Trouw. Om dit te verzekeren heeft hij samen met kamerleden van VVD, PvdA, SP en Groenlinks een initiatiefwet ingediend. Hieronder het artikel in Trouw waarin zij de noodzaak tot die wet uitleggen.

VRIJHEID VAN ONDERWIJS NIET GEBRUIKEN VOOR DISCRIMINATIE

De vrijheid van onderwijs is al bijna een eeuw een grondrecht. Dat grondrecht staat echter niet op zichzelf. In de praktijk wordt door enkele bijzondere scholen de vrijheid van onderwijs aangegrepen om bijvoorbeeld samenwonende heteroseksuelen en homoseksuelen te weigeren. Wij vinden dit niet wenselijk, en stellen voor om een van de hiaten in de huidige wetgeving te dichten.

Wat is er aan de hand? In 1993 werd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling geprobeerd een evenwicht aan te brengen tussen het recht op gelijke behandeling, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van onderwijs en vereniging. Door de wet bleef het voor bijvoorbeeld een orthodox-christelijke scholen mogelijk om aan sollicitanten te vragen de geloofsrichting aan te hangen die overeenkomt met de geloofsrichting van de school. Een vrijzinnig-christelijke of ongelovige leraar kan dus geweigerd worden. Aan de andere kant werd dit soort instellingen niet toegestaan om verder te gaan dan dat. Het ‘enkele feit’ van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat mocht geen reden zijn om mensen in een baan te weigeren.

Over deze ‘enkele feit’ constructie in de wet was meteen veel discussie. Tegenstanders stelden dat deze formulering ruimte bood om via een omweg toch discriminatie vanwege de genoemde gronden toe te staan. Een aantal stromingen binnen orthodoxe religies hebben bijvoorbeeld moeite met homoseksualiteit en ongehuwd samenwonen, en konden deze constructie gebruiken om hen toch buiten de deur te houden. Toenmalig minister Dales van Binnenlandse Zaken bevestigde dat deels, en stelde dat er ‘bijkomende omstandigheden’ konden zijn. Wat die ‘bijkomende omstandigheden’ precies konden zijn, werd echter nooit uitgewerkt.

Deze onduidelijkheid in de wet zorgt al 17 jaar voor problemen. Zo leggen een aantal orthodox-religieuze scholen een soort beginselverklaringen voor aan leraren, waarin ze moeten verklaren de grondslag van de school geheel te onderschrijven. In dat soort verklaringen worden zaken als alternatieve relatievormen fel afgewezen. Ook worden leraren en leraressen die tijdens hun werkzame tijd op school uit de kast komen en een relatie beginnen met iemand van het gelijke geslacht, veelal van school gewerkt. Dat heeft een aantal keer geleid tot een zaak bij de Commissie Gelijke Behandeling, maar in de meeste gevallen verkiezen de slachtoffers de anonimiteit, en druipen ze gedesillusioneerd af.

Deze gang van zaken is niet juist. Door de onduidelijkheid in de wetsgeschiedenis wordt niet voldoende recht gedaan aan gelijke behandeling van mensen, en aan bedoelde nevengeschiktheid van de grondrechten. Voor de goede orde: we doen met ons wetsvoorstel niets af aan het recht van scholen om onderscheid te maken op het lidmaatschap van bijvoorbeeld een orthodoxe kerk. Ook vakbonden, religieuze omroepen en bijvoorbeeld het Leger Des Heils mogen dit verlangen. Maar daar moet het bij blijven. Scholen, vakbonden en verenigingen kunnen niet tot in het diepste van iemands gedachtebepaling of privéleven eisen stellen. Feit is bovendien dat ook in orthodoxe kringen diversiteit aan opvattingen bestaat over onderwerpen die vroeger nog als onwrikbaar golden. Opvattingen over echtscheiding, seksualiteit, ongehuwd samenwonen, de weging van nieuwe wetenschappelijke feiten, de positie van de vrouw en de visie op de schepping zijn onderwerp van intern gesprek. Ook over het hebben van homoseksuele relaties is er debat. De vraag of iets binnen de leer van een bepaalde geloofsrichting valt is steeds ingewikkelder geworden. Ook is het onduidelijk of alle grote, kleine, heimelijke en openlijke afwijkingen ten aanzien van de grondslag van de instelling op de zelfde manier worden gewogen.

De wetgever moet zich onttrekken aan discussies over wat een juiste invulling van een orthodoxe geloofsbeleving is. De wetgever moet echter wel heldere randvoorwaarden stellen waarbinnen een ieder de vrijheid heeft zjjn leven naar eigen keuze in te richten.

Maar hoe moet een orthodoxe organisatie dan omgaan met een werknemer die, weliswaar dezelfde religieuze richting aanhangt, maar op enkele punten afwijkt? Het antwoord daarop is eigenlijk eenvoudig. De werknemer zal binnen de school respect hebben voor de visie van de school, en de werkgever de werknemer de vrijheid laten zijn eigen interpretatie te hebben. Grondrechten dienen immers naast elkaar te staan. Het schrappen van de 'enkele feit' constructie in de wet draagt daaraan bij.

Boris van der Ham (D66), Anouchka van Miltenburg (VVD), Jetta Klijnsma (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Ineke van Gent (Groenlinks).

Tekst van de wet en de toelichting HIER