Home>>In de media>>Sterke provincies hebben de toekomst (NRC-Handelsblad)

Sterke provincies hebben de toekomst (NRC-Handelsblad)

10 jul 2000

Op 10 juli 2000 schreef ik op de opiniepagina van NRC-Handelsblad een artikel over de toekomst van de provincie. Ik kreeg veel reacties van mensen die het met het onderstaand artikel eens waren. Ook Commissaris van de Koningin Jos van Kemenade reageerde. Hij schreef in een artikel dat hij het grotendeels met het onderstaande eens was, maar dat systeem veranderingen niet nodig zijn. Mijn reactie op zijn artikel kan je hier lezen.

Vorig jaar, op 3 maart 1999, vonden de verkiezingen voor Provinciale Staten plaats. De opkomst was bedroevend. In totaal namen slechts 43% van de Nederlanders de moeite om nieuwe provinciale volksvertegenwoordigers te kiezen. Zo kon het niet langer en de regering zou met ideeen komen, om het provinciaal bestuur aantrekkelijker te maken. Een jaar na dato formuleerde het kabinet onlangs haar visie op 'plaats en functie' van de provincies. In de voorbeschouwing van de notitie pleit de Minister van Binnenlandse Zaken De Vries voor een meer dualistisch verhouding tussen de provinciale staten en gedeputeerde staten, verkleining van het aantal leden van provinciale staten en verbetering van de bestuurscultuur. Op zich allemaal erg zinnige bestuurskundige gedachten, maar met een integrale visie op de plaats en functie van de provincies heeft het weinig te maken. De minister schrijft voor de provincies een belangrijke rol weggelegd te zien als 'effectieve intermediaire bestuurslaag', een 'tussenbestuur' dus. Een teleurstellende zienswijze van De Vries, want in de rest van Europa krijgen de regio's steeds meer een eigen positie. De Nederlandse provincies zijn zich dat al bewust, nu De Vries nog. Het fundamentele probleem met het huidige provinciale bestuur in Nederland is dat niemand weet wat ze eigenlijk doen. Het ligt voor de hand te denken dat de provincie vooral verantwoordelijk is voor 'regionale' kwesties. In Nederland hebben de provincies over al deze zaken echter nagenoeg niets te zeggen, althans wanneer het om de echte politieke keuzes gaat. Bij de discussie rond de uitbreiding van Schiphol, bijvoorbeeld, kwamen wel de nationale en de lokale overheden aan bod, maar rond de provincie bleef het stil, terwijl de gevolgen van de uitbreiding, zowel positief als negatief, juist vooral effect hebben op de Randstad-regio. Maar het enkele feit al dat de Randstad bestaat uit drie verschillende provincies, maakte het moeilijk om een duidelijk smoel te tonen. Een ander ander gebrek aan de huidige provincies is dat ze bijna 100% financieel afhankelijk zijn van hogere overheden. Anders dan de nationale en lokale overheid mogen de provincies geen eigen belastingen heffen en is ze dus nauwelijks in staat een echt eigen en onafhankelijk beleid te maken. De provinciale overheid in Nederland is in feite niets meer dan een steriel doorgeefluik tussen de nationale en lokale overheden. Dat de kiezer vervolgens geen interesse heeft in de Statenverkiezingen is logisch: Hier geldt het adagium 'no representation without taxation'. Want waarom zou je gaan stemmen op provinciale politici terwijl de echte (financiële) keuzes toch door de nationale overheid worden gemaakt? Kiezers willen niet voor Jan Aap naar de stembus, zelfs niet als hen dat makkelijk wordt gemaakt door internet of door het koppelen van provinciale aan lokale verkiezingen In Europa staat Nederland wat betreft de tandenloze positie van de regionale overheid tamelijk alleen. In bijna alle andere landen van de EU is een sterke tendens naar meer regionale autonomie. De Europese Unie heeft sinds het Verdrag van Amsterdam het ondersteunen van de Europese regio's zelfs tot een beleidspunt verheven. De invloed van het Comité van de Regio's is sinds Amsterdam toegenomen en de Unie verstrekt gelden voor economische en infrastructurele projecten en beschermt en ondersteunt de regionale taal en cultuur. Dit alles heeft het voor regio's vereenvoudigd zich onafhankelijker op te stellen van de nationale staat. Omdat de binnengrenzen van de nationale staten van de EU wegvallen, wordt de nationale koepel van de regio's langzaam vervangen door een Europese. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Fischer had het in zijn omstreden toespraak dan ook beter kunnen hebben over de federale toekomst van het Europa van Regio's dan dat van de Nationale Staten. Hoewel binnen de Nederlandse landsgrenzen er geen sprake is van een drang naar regionale autonomie, zoals in België, Engeland of Spanje, is er in Nederland weldegelijk een ontwikkeling naar meer interesse in, en zelfbewustzijn van de regio's. Ook de provinciale bestuurders zijn het afgelopen decenium meer dan ooit de boer op gegaan om de positie van hun regio te versterken, mede ingegeven door de Europese steun. Hierbij deden zich een aantal een aantal interessante ontwikkelingen voor. De provincie-besturen merkten namelijk al gauw dat ze in hun eentje te klein waren iets klaar te spelen, dus zochten ze naar samenwerking met buurprovincies. Zo beheren de drie Randstad-provincies bijvoorbeeld een gezamenlijk lobbykantoor in Brussel. De drie noordelijke provincies gaan daarin nog veel verder: Naast een gezamenlijke lobby in Brussel en Den Haag voor economische ontwikkeling en een betere bereikbaarheid van het Noorden werken de drie ook aan bestuurlijke integratie. Onlangs, op 13 juni, vond in Assen zelfs de eerste vergadering van de 'interprovinciale statencommissie' plaats. In dit 'Noordelijk parlement' wordt besloten over de verdeling van de miljarden overheidssteun die ze inmiddels voor hun landsdeel hebben kunnen binnenslepen. Ook werken de Noord-Nederlanders samen met de Duitse regio's Neder-Saksen en Bremen. Hoewel deze bestuurlijke ontwikkelingen zich volledig onttrekken aan het oog van de kiezer, brengen ze wel interessante zaken aan het licht die op termijn kunnen bijdragen aan een nieuwe impuls voor het regionale bestuur in Nederland. Het lijkt erop dat de huidige bestuurlijke provinciegrenzen verouderd zijn en weer opnieuw moeten worden getrokken. Vanzelfsprekend moeten daarbij de culturele grenzen van bijvoorbeeld Limburg en Friesland beschermd blijven. Bestuurlijk grotere provincies zullen in staat zijn om een aantal bevoegdheden op te eisen die nu nog ten onrechte onder het directe gezag van de nationale overheid vallen. Daarnaast zullen de provincies eigen inkomsten moeten derven doormiddel van belastingen en een uitbreiding van haar dienstenpakket. De regionale bestuurslaag wordt hierdoor in staat gesteld een echt eigen koers te varen in Europa en zelfstandige politieke afwegingen te maken. De kiezer heeft dan weer meer reden om haar mening te laten horen tijdens verkiezingen. Het mag duidelijk zijn: al deze maatregelen zullen de macht van de nationale overheid verminderen. Het is daarom niet verwonderlijk dat minister De Vries de 'uitbreiding van provinciale invloed op beleidssectoren als ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer' liever 'nog in discussie' houdt. Ook De Vries zal echter moeten erkennen dat de toekomst niet aan de nationale overheden is, maar aan de regionale. Boris van der Ham voorzitter Jonge Democraten (D66)