Home>>In de media>>Recht af te wijken is allereerst voor het individu

Recht af te wijken is allereerst voor het individu

25 nov 2011
Recht af te wijken is allereerst voor het individu

In Trouw schreef D66-Kamerlid een opinieartikel over de verhouding tussen orthodox-religieuzen en de grondrechten. Is er nog wel plek voor orthodoxe opvattingen in onze samenleving, of dwingt de seculier-liberale meerderheid iedereen tot eenvormigheid? Dit artikel is een korte versie van een rede die Van der Ham uitspreekt tijdens 'De Nacht van de Rechtstaat', waar hij in debat gaat met voormalig ChristenUnie-leider Andre Rouvoet.

NEDERLAND ZUCHT NIET ONDER SECULIER-LIBERALE DICTATUUR

Orthodox-religieuze groeperingen stellen met regelmaat dat de seculiere meerderheid haar wil opdringt aan minderheidsgroepen. Waar is de vrijheid om anders te denken? Ik pleit voor een krachtig recht om te mogen afwijken van de meerderheid, maar dat recht komt allereerst het individu toe, niet de groep.

Bij zijn afscheid als leider van de ChristenUnie stelde André Rouvoet onlangs dat de Nederlandse politiek sinds de verzuiling lijkt te zijn afgeleerd hoe om te gaan met verschillen. Rooms-katholieken, protestanten, liberalen en socialisten respecteerden elkaars tradities en grondrechten. Nu de seculiere, ethisch-liberalen de meerderheid hebben, lijkt van dat onderlinge respect minder sprake, zo wordt gesteld. Het schrappen van het blasfemieverbod en onverdoofd slachten, het recht van leerlingen om zelf een school te kiezen, zorgen dat homoseksuele docenten niet zomaar ontslagen kunnen worden, zouden zelfs blijk geven van een gebrek aan democratische gezindheid. Ik bestrijd dat.

Allereerst klopt Rouvoets’ analyse over de ‘seculiere meerderheid’ niet. Er zijn inderdaad geen grote religieuze of ideologische hoofdstromen meer in de Nederlandse samenleving, maar dat betekent niet dat die zijn vervangen door eenvormigheid. De praktijk is dat de variëteit aan opvattingen eerder is eerder toe- dan afgenomen. Die variaties zijn echter niet meer eenvoudig te vangen binnen de engte van makkelijk te definiëren ‘groepen’. Mensen kiezen hun identiteit uit een rijke waaier aan opties. Als er al een meerderheidsopvatting bestaat, dan huist die vooral in de gedachte dat ieder mens deze keuzevrijheid toekomt, en dat de wetgever hierin dient te voorzien.

Mag iemand dus ook orthodox-religieuze opvattingen hebben? Ja natuurlijk. Hij mag in Nederland zelfs scholen stichten, verenigingen oprichten en televisie-uitzendingen maken, nota bene betaald door de belastingbetaler. Minderheidsgroepen hebben dus alle ruimte zich kenbaar te maken, en kunnen voluit kiezen voor een zelfgekozen invulling van hun leven. Dat recht moeten we koesteren.

Maar dat recht is niet oneindig. Rouvoet stelt dat door de inmenging in het bijzonder onderwijs een fundamenteel recht op keuzevrijheid wordt aangetast. Ouders, leerlingen en leraren hebben immers het recht om de school in re richten naar eigen (orthodox) inzicht. Deze redenering lijkt een beroep te doen op de 19de-eeuwse leer van de ‘soevereiniteit in eigen kring’. De bedenker ervan, de antirevolutionair Abraham Kuyper, vond dat in bijvoorbeeld het gezin en religieuze kring niet de overheid, maar de ‘levenswet’ richtinggevend moest zijn. Overheidsinmenging zou haaks staan op de belangen van de groep en mocht alleen als het individu in de knel dreigde te komen.

Maar zit hierin nu juist niet het dilemma? Want hoe staat het met recht op minderheidsopvattingen binnen de eigen groep? Zelfs binnen religieuze groepen die we vroeger als behoorlijk eenvormig beschouwden, zien we een toename van diversiteit. Zo leven er in orthodox religieuze kringen inmiddels afwijkende opvattingen over huwelijk en echtscheiding, homoseksualiteit en de positie van de vrouw. Vanuit die constatering is het van belang dat de wetgever zich concentreert op de randvoorwaarden waarbinnen ieder individu de vrijheid heeft naar eigen inzicht zijn leven in te richten. Ook minderheidsopvattingen binnen de orthodoxie verdienen een recht van bestaan, en wanneer dit recht in het gedrang komt, dient de wetgever in te grijpen.

Ik deel de visie dat de overheid grote terughoudendheid moet hebben wanneer het gaat over interne regels binnen een kerk of moskee. Maar in bijvoorbeeld het door de overheid gefinancierde bijzonder onderwijs is zo’n pseudorechtssysteem onwenselijk. Als blijkt dat belangrijke grondrechten als gelijke behandeling, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, maar ook de persoonlijke godsdienstige opvattingen van een individu worden overvleugeld door de godsdienstige opvattingen van een meerderheid binnen de groep, dan mag de wetgever hierin het evenwicht herstellen. Het recht op orthodoxie is immers geen vrijbrief om andere individuele rechten in de knel te laten komen.

Dit is de ingekorte tekst van de bijdrage van Boris van der Ham vanavond aan de tweede Nacht van de Rechtsstaat in Amsterdam over ‘Orthodoxie en de rechtsstaat’.