Home>>In de media>>Provoceren hoort bij Nederland (NRC-Handelsblad)

Provoceren hoort bij Nederland (NRC-Handelsblad)

08 feb 2005

Op dinsdag 8 februari 2005 stond er in het NRC Handelsblad een artikel van mijn hand over de vrijheid van meningsuiting.

PROVOCEREN HOORT BIJ NEDERLAND

Op dit moment werkt de minister van Onderwijs aan een canon van de Nederlandse geschiedenis. Aanleiding is het gebrek aan identiteitbesef van Nederlanders en nieuwe Nederlanders. Tegelijk woedt er een debat over de normen in de bejegening van religies. Opvallend is dat er veel wordt verwezen naar 'de jaren zestig als een ijkpunt van de teloorgang van de fatsoensnomen. Dit verraad onbedoeld weer een groot gebrek aan historisch besef.

Het ter discussie en zelfs provoceren van wat als vanzelfsprekend en heilig wordt beschouwd, past in een lange Nederlandse traditie van vrijdenken. Of het nou gaat over beledigen van gezagsdragers, het Koninklijk Huis of religies: provocatie en zelfs godslastering, het hoort bij ons. Erasmus, deed met zijn 'Lof der Zotheid' in 1509 al een satirische aanval op de scherpslijpers binnen de Rooms-katholieke kerk die aan actualiteitswaarde niets heeft ingeboet. Dat zijn beledigingen bewuste provocaties waren bleek wel uit wat hij zelf schreef over de Roomse fanatici: 'Dit slag mensen is buitengewoon hovaardig en lichtgeraakt. Ik vrees namelijk, dat zij mij en masse te lijf zullen gaan, en dat ze mij willen dwingen tot het terugtrekken van mijn opvattingen, terwijl als ik dat niet doe mij onmiddellijk van ketterij zullen beschuldigen. Want de banbliksem hangt ieder die niet in hun geest spreekt, boven het hoofd'. In 500 jaar blijkt er weinig veranderd in de manier waarop fanatieke gelovigen reageren op kritiek.

De Nederlandse priester Hermann van Ryswyck maakte het in 1512 echt bont toen hij openlijk fulmineerde over de 'idioot Mozes' en Christus een gek en een dromer noemde vanwege diens keuze om "tegen de wetten van het gezonde verstand" in armoede te willen leven. Historici beweren dat Van Ryswyck hiermee de eerste beschreven godslasteraar ter wereld van de moderne tijd was. Het werd hem niet in dank afgenomen en moest het met de dood bekopen. Zelfs nadat er in Nederland een vorm van godsdienstvrijheid was , schreef de filosoof Spinoza in de 17de eeuw zijn werken over godsdienst liever in het Latijn zodat strenge calvinisten hem niet zouden lezen. Een verstandige zet want een boek van tijdgenoot Hadriaan Beverland, waarin hij suggereerde dat de zonde van Adam en Eva een seksuele oorsprong had, ontlokte grote woede; het boek werd publiekelijk verbrand.

Met het voortschrijden van de verlichting werden de juridische consequenties van "godslastering" steeds milder. Bij het ontstaan van de nieuwe Nederlandse wetgeving in de 19de eeuw werd het zelfs niet meer als een delict gekend. Rond 1920 volgde er een terugslag in deze ontwikkeling, toen de vereniging 'De Dageraad' grote verontwaardiging wekte met aanplakbiljetten waarop 'God is het kwaad' stond geschreven. De toenmalig minister Donner voerde in reactie daarop in 1932 het verbod op godslastering in.

Ook toen was de wet al omstreden. Wat is nu godslastering? Mag je wél zeggen dat gelovigen kwaad doen en hun God daarvoor misbruiken, maar mag je nièt zeggen dat God zèlf kwaad is omdat hij de ziekte tuberculose heeft geschapen? Voor dat laatste kreeg een inwoner uit Sliedrecht in ieder geval een boete van 30 gulden, een flink bedrag in die tijd. Een ander verdween voor 2 maanden in de cel omdat hij een grap maakte over een beschadigd porseleinen beeldje van Maria en over de besnijdenis van Jezus. Ook in de jaren '30 stoorden niet alleen ongelovigen zich aan het wetje van Donner. De Vrijzinnig-protestantse Remonstrantse Broederschap schreef in 1931 aan het parlement dat ze opzettelijke belediging van godsdienstige gevoelens veroordeelde, maar ook 'dat God te hoog is om door mensen te worden gelasterd'. Bovendien zou het verbod de vrijheid van meningsuiting aantasten. Ook vandaag zijn er gelovigen die zo reageren: 'God heeft zo'n wet helemaal niet nodig,' schreef een christelijke gelovige aan D66 toen wij vorig jaar tevergeefs het onzinnige wetje wilde afschaffen.

Spot en provocatie heeft een belangrijk nut in het publieke debat. Erasmus bracht het machtsmisbruik van de Roomse kerk in discussie waardoor mensen kritischer werden richting hun eigen instituut. Wie de verslagen leest van het beroemde proces uit de jaren zestig tegen Gerard Reve, die God 'lasterde' door hem als ezel af te schilderen, ziet dat de schrijver tijdens het proces zeer boeiende pleidooien hield over de verschillende godsbegrippen. Het is zeker waar dat ook toen grote groepen mensen de kracht van de belediging als te heftig ervoeren, zodat zij aan de uiteindelijke boodschap niet toekwamen.

De vraag of provocatie of beledigiing altijd effectief is, is dan ook gerechtvaardigd. Maar ik denk dat dit in eerste instantie aan de belediger zelf is om te beoordelen. Platte, inhoudsloze beledigingen doven vanzelf uit. Beledigingen die voortkomen uit een levensvisie, die de status quo in een gemeenschap ter discussie stellen, kunnen wel degelijk een functie hebben, al wordt dat soms pas jaren later zichtbaar.

Mag je dan echt alles zeggen? Ja, bijna alles. Het aanzetten tot haat en geweld is echter terecht bij wet verboden. Dat doet dus ook een beroep op gelovigen om terughoudend te zijn met teksten die in de Koran of de Bijbel staan die oproepen tot geweld; In het bijbelboek Leviticus bijvoorbeeld wemelt het van oproepen tot doodslag van ontuchtige vrouwen en homo's. Dit moet echter niet worden gezien als een inperking van de vrijheid van meningsuiting of de godsdienstvrijheid, maar juist als een waarborging van die vrijheid, zodat niemand zich genoodzaakt voelt uit angst voor haat of geweld zijn mond te houden.

Ook deze gedachte is niet nieuw: in 1624 schreef de Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot al dat het God niet toegestaan is "mogelijk te maken dat wat vanwege een intrinsieke oorzaak slecht is, niet slecht zou zijn." Beledigen is wél geoorloofd. Op die grond mag een orthodoxe geestelijke zeggen dat vrouwen zich moeten onderwerpen aan de man; Imam El Moumni en ChristenUnie-politicus Van Dijke mogen zeggen dat homo's lager zijn dan varkens, of gelijk staan aan dieven. Nu beroepen zij zich bij het uiten van deze beledigende teksten echter op de vrijheid van godsdienst, waardoor de wetgever hen extra beschermt. Dat is niet nodig; beledigende uitspraken door religieuze groeperingen moeten in het publieke debat gewoon onder de vrijheid van meningsuiting worden geschaard. Op die zelfde grond hebben vrijzinnige gelovigen en niet-gelovigen overigems het recht hun visies met kracht tegen te spreken of zelfs als 'achterlijk' te bestempelen.

Vrijheid van beledigen en provocatie is er voor de stand-up comedian die vrijwel elke bevolkingsgroep voor schut zet, maar dus ook voor hen die met provocerende foto's van foetussen tegen abortus demonstreren.

Het vrije debat moet niet verworden tot een kakofonie van scheldpartijen. De discussie over fatsoen moet dus ook steeds gevoerd worden, maar wel door de samenleving zèlf.. Om die juiste balans te vinden kunnen Nederlanders en nieuwe Nederlanders veel leren uit onze wordingsgeschiedenis. Misschien moet de minister van Onderwijs maar eens overwegen om in de Canon van de Nederlandse geschiedenis ook een korte "Historie der Provocatie" op te nemen.

Boris van der Ham is lid van de Tweede Kamer namens D66