Home>>In de media>>Provincies: Reactie op Van Kemenade (NRC-Handelsblad)

Provincies: Reactie op Van Kemenade (NRC-Handelsblad)

20 jul 2000

Op 10 juli 2000 schreef ik een artikel in het NRC-Handelsblad over de toekomst van de Nederlandse provincie. Commissaris van de Koningin, Jos van Kemenade, reageerde op 18 juli op mijn artikel. Hij vond dat er niet zo heel veel hoefde te veranderen aan de provincie. Deze reactie van mij werd ook in het NRC-Handelsblad geplaatst, op 20 juli 2000.

Op 18 juli reageerde J.A. Van Kemenade, commissaris van de koningin in Noord-Holland, op mijn artikel 'Sterk en groot regio bestuur heeft de toekomst'. Hoewel hij onderschreef dat het kabinet nog maar weinig werk had gemaakt van de versterking van de provincie, nam hij in zijn artikel afstand van het door mij geschetste beeld dat de provinciale bestuurslaag in Nederland tandeloos zou zijn. Een aantal argumenten die ik daarvoor aanvoerde noemde hij 'feitelijk onjuist', terwijl ze weldegelijk valide zijn. Graag zet ik dat hier recht. Ook vond hij een discussie over een andere structuur van provinciaal bestuur overbodig. Van Kemenade redeneert hiermee, naar mijn mening, vooral vanuit het bestuur en niet vanuit de beleving van de kiezer. Van Kemenade stelde dat de provincie weldegelijk 'eigen' inkomsten heeft en dat ze dus, anders dan ik schreef, in het geheel niet 100 procent afhankelijk is van het rijk. Hij kwam vervolgens met voorbeelden als rentebaten en opcenten van de motorrijtuigenbelasting. Betere voorbeelden van 'steriele' inkomsten had Van Kemenade niet kunnen geven. Het enkele feit dat de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting via de nationale overheid worden geïnd en dat de minister van Financien de marges van de opcenten vaststelt, geeft al duidelijk aan dat de provincie hier nauwelijks een echte politieke rol heeft. De provincie ontbeert dus andermaal een (financieel) middel waarmee ze zich kan manifesteren voor en naar haar provinciale kiezer. Van Kemenade voert in zijn reactie ook aan dat provincies wel degelijk wat te zeggen hebben over kwesties als ruimtelijke ordening, milieu, de waterhuishouding, verkeer en vervoer. Dat ontken ik niet, maar wel constateer ik dat deze bevoegdheden zich beperken tot de minder belangrijke vraagstukken. Bij het aangehaalde voorbeeld rond de uitbreiding van Schiphol was en is dat zelfs overduidelijk. Allereerst heeft niet de provincie maar de nationale overheid de milieuvergunning in handen, terwijl deze bevoegdheid eigenlijk aan de provincie zou moeten toekomen. De provincie kwam tijdens de Schiphol-discussie wel met voorstellen, maar op geen enkel moment heeft de provincie het platform kunnen zijn waarop de regionale, laat staan maatschappelijke politieke discussie had moeten plaatsvinden. Daarvoor ontbrak het de provincie aan feitelijke macht. Bij de discussie rond de Betuwelijn werd ook zonder blikken of blozen de provinciale bestuurslaag gepasseerd. Telkens worden de schaarse regionale kwesties die de kiezers in het hart raken uit handen genomen door de nationale overheid. Voor de provinciale politici blijft het overige, minder politieke orgaan-vlees over. Ook mijn stelling dat de huidige provinciegrenzen achterhaald zijn vind in het Schiphol-debat een duidelijk voorbeeld. Recentelijk nog tekende de provincies Zuid-Holland en Utrecht protest aan dat zij niet werden betrokken bij het zogenaamde TOPS-overleg waar de toekomst van Schiphol werd besproken. De provincie Noord-Holland zat daar wel bij -Schiphol ligt immers in die provincie- maar de andere Randstadprovincies waren daarbij niet uitgenodigd terwijl steden als Leiden (Zuid-Holland) en Amersfoort (Utrecht) ook onder de aanvliegroutes liggen. Door het ontbreken van een overzichtelijk Randstedelijk bestuur is het schier onmogelijk om over dit soort onderwerpen een debat op maat te voeren. De burger weet in ieder geval niet waar hij wezen moet. Tenslotte voert Van Kemenade aan dat het zonde van de tijd is om te discussieren over provinciale herindelingen omdat dit alleen maar zou afleiden van de noodzaak tot inhoudelijke samenwerking. Hij schrijft dat 'afwissend van aard en schaal van afzonderlijke vraagstukken' er moet worden samengewerkt tussen de verschillende bestuurslagen en provincies. Ik ben het met hem eens dat in structuurveranderingen nooit de inhoudelijke oplossing voor problemen te vinden zijn. Maar wat betreft de positie van het regionale bestuur is een duidelijke mentaliteitsverandering nodig en zo'n mentaliteitsverandering komt niet vanzelf. Als de provinciale bestuurslaag zichzelf serieus neemt en het niet langer pikt dat er over hen heen wordt gelopen, dan kan niet worden volstaan met het idee van de gelegenheidssamenweking van Van Kemenade. De gelegenheidssamenwerking die hij bepleit is bovendien moeilijk te volgen voor de kiezers die niet weet tot welke gelegenheidsstructuur hij zich kan en moet richten. Een drastische wijziging van de plaats, omvang en functie van de provincies kan bestuurders op zowel provinciaal als nationaal niveau dwingen tot een andere houding tegenover regionale vraagstukken en de regionale eigenstandigheid. Willen we voorkomen dat de volgende provinciale verkiezingen niet opnieuw een festival van laagterecords wordt, dan moet de provincie haar noodzaak kunnen aantonen of moet zij die bevechten. Want als een democratisch gekozen orgaan geen kiezers trekt, dan is ze per definitie tandeloos. Boris van der Ham Voorzitter Jonge Democraten (de jongerenorganisatie die gelieerd is aan D66)