Home>>In de media>>Investeer met verstand in Onderwijs (NRC)

Investeer met verstand in Onderwijs (NRC)

13 jan 2012
Investeer met verstand in onderwijs

Het Sociaal Cultureel Planbureau bracht een onderzoek uit 'Waar voor het belastinggeld' waarin werd bekeken of investeringen in onderwijs, zorg en veiligheid wel effectief zijn. D66-Kamerlid Boris van der Ham reageert met een opinieartikel in NRC-Handelsblad op de uitkomsten. "Het onderzoek moet geen smoes zijn om meer te bezuinigen, maar juist een aansporing om meer kwaliteit te eisen en gericht meer te investeren, ook financieel."

---- SCP-rapport is Wake Up Call

Wordt het geld voor Onderwijs, Zorg en Veiligheid wel effectief besteed? Zo’n vraag is altijd nuttig om te stellen. Het Sociaal Cultureel Planbureau presenteerde deze week een rapport waar ze de genoemde sectoren onder de loep namen. Onder meer het basisonderwijs kreeg enige kritiek te verduren. Maar is dat een reden om nu fors op het basisonderwijs te bezuinigen, zoals VVD, CDA en PVV nu lijken te willen gaan doen? Er wordt al bezuinigd op onderwijs, de VVD ziet het rapport als een rechtvaardiging om daar nog een schepje bovenop te doen. Wat D66 betreft gebeurt dat niet: het SCP rapport is een goede wake-up call voor de besteding van overheidsgeld, nog gerichter investeren in onderwijs is noodzakelijk.

Het SCP stelde onder meer vast dat er betere gebouwen zijn gekomen en er meer leerlingen door zijn gestroomd naar hoger vervolgonderwijs. Positieve resultaten. Maar er is ook kritiek. Zo zou het verbeteren van de salarissen van leraren in deze periode geen ‘extra productiviteit’ hebben opgeleverd. Helaas meldt het SCP niet dat de extra investeringen in leraren van 10 jaar geleden nodig waren om een forse achterstand in loonontwikkeling in te halen. Destijds bloeide de economie, was er volop werkgelegenheid in andere sectoren, en werd het steeds moeilijker om leraren te behouden voor het onderwijs. Die aandacht voor het lerarentekort is overigens nog steeds actueel. Hoewel de economische crisis een gunstig werking heeft op de aantrekkingskracht voor het vak leraar, weten we dat over slechts enkele jaren een massale uitstroom gaat plaatsvinden van pensionerende leerkrachten. Het redelijker betalen van leraren was en is dus geen overbodige luxe, maar pure noodzaak om überhaupt mensen voor de klas te krijgen en te houden.

Het SCP concludeert ook dat de investeringen in kleinere klassen te weinig opleveren. Zij halen in hun rapport daarbij het bekende STAR-onderzoek aan dat aantoonde dat meer persoonlijke aandacht van een docent zeer effectief is, maar stelt vast dat de in Nederland gerealiseerde vermindering van de klassengrootte uiteindelijk zo gering was in vergelijking met het STAR-¬onderzoek dat er te weinig effect vanuit ging. Maar is daarmee het idee van klassenverkleining onzin? Het SCP kiest voor een wel heel ruimte definitie van een 'zeer grote klas'. Pas bij meer dan 31 leerlingen ziet het SCP een probleem. Dat doet onrecht aan de praktijk. Elke leraar zal uit ervaring zeggen dat het niet heel veel uitmaakt of je bijvoorbeeld 17 of 22 leerlingen in een klas hebt. Maar dat is totaal anders bij een verschil tussen 25 of 30 leerlingen. Rond de 25 leerlingen ervaren de meeste docenten een belangrijk omslagpunt: je kan boven zo’n grote hoeveelheid leerlingen niet meer de (specifieke) aandacht geven die ze verdienen. En van dat soort grote klassen hebben we er nog veel te veel. Bovendien wordt door de instroom van zorgleerlingen in het reguliere onderwijs en de forse bezuiniging op de ondersteuning wordt de complexiteit van de klas alleen maar groter. Alle reden dus om dit soort grote klassen terug te dringen.

Het SCP bekeek ook de effectiviteit van ‘meer handen in de klas’. Door meer geld uit te trekken voor personeel in de klas zouden de prestaties van leerlingen moeten toenemen, was de gedachte. Het SCP levert op dat punt forse kritiek op de manier waarop in Nederland die ‘extra handen voor de klas’ zijn ingevuld. Ze concluderen dat een belangrijk deel van die “extra handen” bestaat uit onderwijsassistenten, dus niet uit hooggekwalificeerde en bevoegde leraren. Het aangehaalde STAR-onderzoek, maar ook praktijkervaring in Finland, stelt dat juist alleen bij goed gekwalificeerde docenten het rendement in de klas echt omhoog gaat. De conclusie moet dus niet zijn dat het investeren in ‘meer handen voor de klas’ onzin is, maar dat je veel hogere eisen moet stellen aan wie er voor de klas staat. In de wanhopige zoektocht naar extra bezuinigingen is de kans groot dat het kabinet dit onderzoek misbruikt om nog eens met de kaasschaaf over het Nederlandse onderwijs te gaan, terwijl de grote hervormingen nog altijd niet worden aangedurfd. Wie niet alleen de samenvatting van dit rapport, maar ook de achterliggende onderzoeken zelf leest, zal concluderen dat we een andere beweging moeten maken. Het basisonderwijs duldt geen verdere bezuinigingen, maar vergt gerichte investeringen: zowel financieel als in strenge bewaking van de kwaliteit.

Boris van der Ham Tweede Kamerlid D66