Home>>In de media>>Geen middelmaat in kunst

Geen middelmaat in kunst

27 aug 2008

D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold en D66-kamerlid en woordvoerder cultuur Boris van der Ham houden een pleidooi voor de verdeling van kunstsubsidies op basis van artistieke kwaliteit en niet op basis van regionale spreiding, zoals minister Plasterk nu doet. Dat veroorzaakt volgens de D66'ers middelmaat. Ook willen zij dat de verdeling inzichtelijk is en dat er ruimte blijft voor toptalent.

Bureaucratie In een artikel in de Volkskrant schrijven de D66'ers dat de fondsen een bureaucratisch oerwoud dreigen te worden: "Waarom kan een beeldbepalende regisseur niet individueel worden beoordeeld en gefinancierd, zoals we nu wel al doen in filmsubsidiering? Het Fonds moet zich meer openstellen voor democratisch debat en verantwoording. Kwalitatief hoogstaande kunst en unieke kunstenaars dreigen nu fijngemalen te worden tussen steriele verdeelmechanismen, star geografisch denken en een oerwoud aan zaakwaarnemers, raden en commissies. Minister Plasterk moet ons inziens ingrijpen om het systeem passend te maken voor kwaliteit en talent, waar nu het tegenovergestelde plaatsvindt." Aldus Pechtold en Van der Ham. Maakbaarheid Ook betogen de D66 Kamerleden dat de keuze voor kunstinstellingen die een vaste subsidie krijgen in de zogenaamde basisinfrastructuur is gebaseerd op blauwdrukdenken van PvdA minister Plasterk: "In een stad als Amsterdam zijn bijvoorbeeld historisch gezien altijd meerdere toneel- en muziekgezelschappen geweest, dus waarom daar niet meerdere instellingen in de basisinfrastructuur? Plasterk houdt echter vast aan zijn egalistische regionale spreiding." Lees hieronder het artikel uit de Volksrant van 26 augustus 2008. Waak voor de middelmaat Woensdag presenteerde het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten zijn definitieve subsidiebesluit. Na de hervorming van de subsidiesystematiek vorig jaar krijgt een enkele instellingen een structurele vier-jaarlijkse subsidie. De meeste instellingen moeten echter steeds opnieuw bij het fonds aankloppen voor hun voortbestaan. De gedachte achter dit systeem is goed. Het is onzinnig op bijvoorbeeld aan het Concertgebouworkest of het Rijksmuseum elke vier jaar opnieuw te vragen om hun bestaansrecht aan te tonen. Ook is het logisch dat in de meeste grote steden van Groningen tot aan Maastricht er een vast theatergezelschap is. Door die instellingen zekerheid te geven, kunnen subsidieverleners hun onderscheidend vermogen richten op nieuwe kunstenaars en nieuwe instellingen, die hun kwaliteiten nog moeten aantonen. Helaas heeft Minister Plasterk van Cultuur (PvdA) ervoor gekozen om de gedachte van de basisinfrastructuur zeer minimaal uit te voeren. Zijn beleid komt er in wezen op neer dat per stad, per discipline er maar één instelling in de basisinfrastructuur mag zitten. Zijn keuze voor wie er tot de basis van onze cultuur behoort baseert hij namelijk niet puur op artistieke waarde en kwaliteit maar mede op de geografische spreiding. Daaruit spreekt een vreemdsoortig blauwdrukdenkend. In een stad als Amsterdam zijn bijvoorbeeld historisch gezien altijd meerdere toneel- en muziekgezelschappen geweest, dus waarom daar niet meerdere instellingen in de basisinfrastructuur? Plasterk houdt echter vast aan zijn egalistische regionale spreiding. Vernieuwende instellingen, met een breed publiek bereik, die niet in de basisinfrastructuur zijn opgenomen leggen het nu af tegen instellingen die een mindere beoordeling hebben, maar passen in het spreidingsidee van Plasterk. Nu moeten gezelschappen met een grote omvang, bewezen kwaliteit en draagvlak op dezelfde wijze meedingen naar ondersteuning als beginnende gezelschappen. Het fonds wordt daardoor gedwongen volstrekt ongelijksoortige instellingen te vergelijken. Ze worden nu hun bestaan bedreigd of moeten verplicht verhuizen met alle verlies aan geld, netwerk en continuïteit van dien. Ook doen er zich andere ongelukken voor. Hoewel theaterregisseur Theu Boermans als individueel kunstenaar een mooie beoordeling kreeg, moet hij zijn vaste gezelschap en subsidie inleveren, en hetzelfde dreigt met het ensemble Asko/Schönberg onder leiding van Reinbert de Leeuw. Plasterk zegt hierop steevast dat hij het liefst een subsidiesysteem ziet vanuit de redenering "alsof we helemaal opnieuw zouden beginnen". Een redenering die misschien past in een natuurkundig laboratorium, maar niet in de Kunsten. Wij roepen minister Plasterk op om de huidige invulling van de basisinfrastructuur te herzien. In steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht zou een tweede of derde vast stadstheatergezelschap een volstrekt logische stap zijn. Het sluit aan op de bestaande praktijk, en geeft adem aan de overige subsidieverlening. Ook zouden er twee festivals, zoals Oerol of de Boulevard in Den Bosch, kunnen worden toegevoegd. Muziekgezelschappen die een unieke rol hebben verworven, bijvoorbeeld in het spelen van eigentijdse Nederlandse muziek, horen ook in de basis. Hiernaast moet het Fonds voor de Podiumkunsten meer flexibiliteit aan de dag leggen. Waarom kan een beeldbepalende regisseur niet individueel worden beoordeeld en gefinancierd, zoals we nu wel al doen in filmsubsidiering? Het Fonds moet zich ook meer openstellen voor democratisch debat en verantwoording. Kwalitatief hoogstaande kunst en unieke kunstenaars dreigen nu fijngemalen te worden tussen steriele verdeelmechanismen, star geografisch denken en een oerwoud aan zaakwaarnemers, raden en commissies. Plasterk moet ons inziens ingrijpen om het systeem passend te maken voor kwaliteit en talent, waar nu het tegenovergestelde plaatsvindt. Eerdere oproepen aan Plasterk om meer regie en visie aan te geven zijn telkens tevergeefs gebleken. Hij stelde dat de beoordeling van kunst niet aan hem is. Daarbij beriep hij zich op de liberale 19de eeuwse staatsman Thorbecke die ooit over kunst en politici stelde: "De Kunst is geen regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst". Wie dit citaat goed leest ziet dat het Thorbecke juist ging om middelmatigheid te voorkomen. Als Plasterk niet ingrijpt is dat echter wel wat hij veroorzaakt. Alexander Pechtold, fractievoorzitter van de D66-fractie Boris van der Ham, Tweede Kamerlid D66 en woordvoerder cultuur