Home>>In de media>>Erken het recht op afvalligheid en ongeloof (Volkskrant)

Erken het recht op afvalligheid en ongeloof (Volkskrant)

10 dec 2015
Erken het recht op afvalligheid en ongeloof volkskrant

Op 10 december 2015 kwam het nieuwe 'Freedom of Thought' report uit. Naar aanleiding daarvan schreef ik, als voorzitter van het Humanistisch Verbond, onderstaand opiniestuk in de Volkskrant.

Erken het recht op afvalligheid en ongeloof

2015 was een gevaarlijk jaar voor de ‘ongelovigen’. Dat laat het ‘Freedom of Thought Report’ zien dat de internationale humanisten vandaag publiceren. ‘Ongelovigen’ hebben niet alleen te vrezen voor overheden, maar steeds vaker voor mede-burgers. Met alleen een pleidooi voor het aanpassen van wetten zijn we er niet, het debat over vrijheid van levensbeschouwing moet dieper reiken. Ook in Nederland.

De achterstand die ‘ongelovigen’ hebben varieert wereldwijd sterk. Sommigen hebben beperkingen op de arbeidsmarkt, ze mogen hun mening niet uiten, ze komen niet in aanmerking voor politieke functies, kunnen niet trouwen of hun bestaan wordt systematisch ontkend. In het ergste geval worden ‘ongelovigen’ vervolgd en ter dood veroordeeld. In 55 landen is afvalligheid of godslastering strafbaar, in 13 landen riskeer je daarvoor zelfs de doodstraf. Ondanks - of misschien wel: dankzij - het feit dat de secularisatie ook in islamitische landen doorzet, zijn het vooral die landen waar straffen voor godslastering en afvalligheid de afgelopen tijd zijn aangescherpt. Zo werd in Saoedi-Arabië vorig jaar atheïsme voor de wet gelijkgesteld met terrorisme, wat dit jaar tot diverse doodsvonnissen leidde.
 
Naast deze top-down vorm van mensenrechtenschending is ontbreken van ‘horizontale’ geloofsvrijheid, de vrijheid die mensen elkaar ook onderling moeten geven, een groeiend probleem. Ook daar varieert de aard sterk. Hoewel Nederland goed scoort wat betreft wettelijke bescherming van individuele vrijheid, hebben met name ex-moslims het in informele kring niet gemakkelijk. Veel van hen besluiten om hun opvattingen niet uit te spreken uit angst voor sociale uitsluiting. Wat kan een samenleving hierop ondernemen? Anders dan bij het strafrechtelijk afschaffen van het verbod op godslastering, valt er immers geen initiatiefwet te schrijven voor het in de familiekring accepteren van de ongelovige zoon of dochter.
 
Naast sociale uitsluiting is er in het buitenland vaak ook sprake van fysiek geweld. In Bangladesh werden dit jaar al vijf atheïstische bloggers letterlijk doodgehakt door extremistische islamitische mede-burgers. De twee aanslagen in Parijs dit jaar, maar ook die in Beiroet, Turkije en Egypte, vallen in dezelfde categorie: niet-statelijke netwerken dringen hun religieuze visie grof geweld op te dringen op aan ‘ongelovigen’. Zij verstaan daaronder zowel atheïsten en humanisten, maar ook andersdenkende moslims en aanhangers van andere religies. Anders dan bij mensenrechtenschendingen door overheden, is het lastig deze te adressen bij aanhangers Islamitische Staat (IS), Boko Haram en Al Quaida.
 
Veel westerse politici zijn bovendien niet meer vertrouwd met het voeren van theologische debatten, al helemaal niet over de Islam, en verschuilen zich achter de mantra dat zij zich niet over de inhoud van religie zouden mogen uitspreken. Er wordt dan gemakshalve gezegd dat gematigde moslims hierin het voortouw moeten nemen.
 
Als goed voorbeeld daarvan wordt dan vaak de brief aan IS genoemd die 126 islamitische geestelijken uit de hele wereld opstelden. Het werd onder progressieve gebruikers van de sociale media meteen een hype, als voorbeeld van de gematigde islam. Zo werd respect gevraagd voor andersdenkenden binnen de islam, maar ook de ‘broeders van het Boek’, te weten de joden en de christenen. Er werd echter met geen woord gesproken over andere religies, over het recht op afvalligheid of religiekritiek. Het was bij lange na niet de islamitische variant van bijvoorbeeld de ‘Dignitatis humanae’, waarmee de rooms-katholieke kerk in 1965 de vrijheid van levensbeschouwing – ook voor niet gelovigen – erkende.
 
Het is een teken van politiek correcte schroom of kwalijke onverschilligheid om het debat over religieuze tolerantie aan de gematigde moslims over te laten. Dat debat gaat immers iedereen aan. Het recht op afvalligheid en ‘ongeloof’ is daarbij het ijkpunt, en moet onomwonden worden onderschreven, zowel in de moskee als in het onderwijs. Immers, als iedereen het  fundamentele recht heeft om ‘ongelovig’ te mogen zijn in de ogen van een ander, is er voor iedereen plek: voor orthodoxen, gematigde en ex-moslims, als ook alle andere (on)gelovigen.

 

Boris van der Ham

Voorzitter Humanistisch Verbond

www.humanistischverbond.nl

Lid worden? www.humanisme.nu