Als het aan D66 ligt, gaat de overheid weer deels bepalen waar universiteiten en hogescholen hun geld aan uitgeven. Hooguit 20 procent mag naar overhead gaan, de rest is bestemd voor het onderwijs zelf.

Daar pleitte D66-kamerlid Boris van der Ham zojuist voor in de Tweede Kamer. Universiteiten en hogescholen krijgen nu zogeheten lumpsum-financiering: ze mogen hun geld besteden zoals ze willen, zolang het onderwijs maar aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet.
De overheid bepaalt dus niet hoeveel geld er naar docenten en lesmateriaal moet gaan en hoeveel geld er overblijft voor de managers en administrateurs. Als het aan D66 ligt, komt daar een einde aan. In het hbo zou eigenlijk maar 20 procent van het budget aan overhead besteed mogen worden, aldus Van der Ham. En anders moeten de instellingen hun bestedingen goed kunnen uitleggen.
Van der Ham gaf direct toe dat de discussie over overhead nu ‘schaatsen in yoghurt’ is, maar vindt het juist daarom belangrijk om er helderheid over te scheppen. Dat zou het voor de medezeggenschap ook eenvoudiger maken om bestuurders aan te spreken. Nu is het gesprek over de overhead nauwelijks te voeren, meende hij.
Op de vraag of die definitie moest zijn dat een lesuur telt als er een bevoegde docent voor de klas staat, als het deel uitmaakt van het curriculum en als het voor studenten uitdagend en inspirerend is zei Van der Ham ook in die richting te denken.