Home>>In de media>>Burgers moeten zelf initiatief nemen tot referendum (Trouw)

Burgers moeten zelf initiatief nemen tot referendum (Trouw)

19 jun 2007

Dit artikel verscheen op 19 juni 2007 in dagblad Trouw. Ik schreef dit naar aanleiding van het hoofdcommentaar in ditzelfde dagblad van een paar dagen eerder over het EU-referendum. Volgens het hoofdcommentaar van deze krant moet de beslissing over een Europese Grondwet niet aan een referendum onderworpen worden. Daarbij werd gerefereerd aan de Franse President Sarkozy, die geen referendum uitschreef. Dit wordt als leiderschap betiteld door het hoofdcommentaar. In deze houding kan ik me niet helemaal vinden.

In deze krant is er de afgelopen weken veel aandacht geweest voor de vraag of er wel of niet een nieuw referendum zou moeten plaatsvinden over een nieuw Europees verdrag. Het hoofdcommentaar van Trouw stelde daarover dat dit soort beslissingen niet moet worden onderworpen aan een referendum. Hierbij werd onder meer verwezen naar de Franse President Sarkozy die óók geen referendum uitschrijft. Dat is tenminste leiderschap, zo leek de krant te stellen. Naar mijn mening liggen er twee misverstanden ten grondslag aan die houding. Allereerst was het referendum van twee jaar geleden niet allereerst ingegeven door een soort wijfelachtigheid bij de politiek. De voornaamste, formele reden was dat de Europese Grondwet te vergelijken was met een grondwetswijziging en dat dit een "raadpleging" wenselijk maakte. Immers, een wijziging van de Nederlandse grondwet is aan strenge regels verbonden. Zo is het verplicht om een zogenaamde "Tweede Lezing" van zo'n voorstel te hebben. Nadat het parlement een voorstel heeft goedgekeurd moet het daarna nog een keer door het parlement worden goedgekeurd. Tussen die twee procedures in moet dan ook tenminste één keer nieuwe verkiezing zijn uitgeschreven. Zo wordt de kiezer in staat gesteld om eventueel in te grijpen als de politiek aan fundamentele rechten knabbelt. Omdat de Europese grondwet leek op een voorstel tot grondwetswijziging lag het daarom voor de hand om kiezers ook hier die mogelijkheid te geven. Het hoogste adviesorgaan van Nederland, de Raad van State, was het met deze redenering eens. Zij schreven aan de Tweede Kamer dat een referendum "de meest reële optie" was om hier vorm aan te geven. Een ander misverstand ligt wat mij betreft in de vergelijking die met Frankrijk wordt getrokken. Naar mijn mening schuilt dat leiderschap echter niet zo zeer in het tegenhouden van een referendum, maar in de duidelijkheid die de Franse president hierover vóór zijn verkiezing als president gaf. En juist daarin zit het grote verschil met veel Nederlandse politici. Tijdens de verkiezingscampagne voor het presidentschap was Sarkozy in ieder geval helder. Hij pleitte in zijn verkiezingscampagne voor een mini-verdrag gebaseerd op de afspraken uit hoofdstuk 1 (over onder meer de veto's.. Als het nieuwe verdrag zou uitmonden in zo'n klein verdrag, zei Sarkozy dat hij er geen referendum over wilde organiseren. Samen met de Britse premier Tony Blair sprak Premier Balkenende in april 2007 ongeveer de zelfde wens uit. Ze stelden dat "enkele simpele wijzigingen aan de bestaande verdragen" volstaan om de EU haar broodnodige daadkracht terug te geven. De afspraken die in hoofdstuk 1 van het oorspronkelijke verdrag stonden (over de veto's en de minister van Buitenlandse Zaken), zouden daarbij als uitgangspunt dienen. De twee leiders wilden een "Verander-verdrag" zonder grondwettelijke pretenties. Via deze weg hoopten ook deze twee regeringsleiders een referendum te voorkomen. Maar voor de regering Balkenende was het toen eigenlijk voor de eerste keer dat hij deze koppeling met het referendum maakte, ná de verkiezingen van 22 november 2006 dus. Eigenlijk wreekt zich hier het feit dat tijdens de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen voor 22 november 2006 nauwelijks is gesproken over de toekomst van Europa. Uit angst om kiezers voor het hoofd te stoten, meden de meeste politieke partijen het onderwerp als de pest. Het CDA was tegen een nieuw referendum maar was onduidelijk over de gewenste inhoud van een nieuw verdrag; De PvdA stelde in haar verkiezingsprogramma nog wel dat er een referendum moest worden gehouden, maar ging niet in op de voorwaarden. Ook de ChristenUnie en VVD bleven er stil over. Waar de Franse kiezer wel uitdrukkelijk de toekomst van Europa en het referendum in de verkiezingen mee kon wegen, was de Nederlandse kiezer in het vage gehouden. Dit lijkt nu als een boemerang op de politiek terug te komen. Als de grote Nederlandse politieke partijen echt leiderschap hadden betoond dan hadden ze hun voorwaarden voor een nieuw verdrag en de wenselijkheid van een referendum vóór de verkiezingen van november 2006 bekendgemaakt. Dan hadden de partijen nu niet alleen naar letter, maar ook naar de geest het zelfde mandaat gehad als Sarkouzy. Boris van der Ham Tweede kamerlid D66 Schrijver van het boekje "Voortrekkers en Baanbrekers", over twee jaar na het Europees Referendum